marmer
zelfstandig naamwoord, werkwoord /mɑremər/Betekenis
- een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
Hoe spreek je marmer uit?
/mɑremər/
Marmer bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| e | veel |
| ə | de |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| marmers | meervoud |
| marmertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| marmertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van marmeren
- gebiedende wijs van marmeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van marmeren
Vervoeging van marmer
marmerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kalkgesteente’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van marmer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| marmers | meervoud | marmer |
| marmertje | verkleinwoord | marmer |
| marmertjes | verkleinwoord meervoud | marmer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van marmer zijn vastgelegd.