mangelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈmɑŋələ(n)/Betekenis
- ontbreken, te kort schieten
- ruilen, aan ruilhandel doen
- door de mangel halen, met een mangel glad maken
Hoe spreek je mangelen uit?
/ˈmɑŋələn/
Mangelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ontbreken, tekortschieten
Vervoeging van mangelen
mangelenhele werkwoord — mangeldeverleden tijd enkelvoud — mangeldenverleden tijd meervoud — gemangeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mangel | mangelde |
| jij | mangelt | mangelde |
| hij, zij, het | mangelt | mangelde |
| wij | mangelen | mangelden |
| jullie | mangelen | mangelden |
| zij | mangelen | mangelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemangeld | verleden tijd, deelwoord |
| gemangeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemangeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemangeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemangeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemangeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemangeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemangeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemangeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemangeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemangeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemangeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemangeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemangeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemangeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemangeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemangeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemangeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mangel | gebiedende wijs |
| mangelde | verleden tijd |
| mangele | aanvoegende wijs |
| mangelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemangeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mangelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mangelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemangeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemangeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemangeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemangeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemangeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemangeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemangeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemangeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemangeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemangeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemangeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemangeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemangeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mangelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemangeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mangelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord mangel
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘ontbreken’ voor het eerst aangetroffen in 1563
Woordfamilie van mangelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemangeld | voltooid deelwoord | mangelen |
| gemangelde | woordvorm | mangelen |
| mangelde | verleden tijd | mangelen |
| mangelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mangelen |
| mangele | aanvoegende wijs | mangelen |
| mangelend | onvoltooid deelwoord | mangelen |
| mangelende | woordvorm | mangelen |
| mangelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mangelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mangelen zijn vastgelegd.