mangel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈmɑŋəɫ/Betekenis
- een werktuig met twee tegen elkaar draaiende rollen om wasgoed tegelijk glad te strijken en er het vocht uit te persen
- mangelwortel
- in mangel; in ruil
- gebrek, fout
- gebrek (aan iets), ontbreken (aan iets)
- tekortkoming
- amandel
- gebrek, schaarste, tekort
Hoe spreek je mangel uit?
/ˈmɑŋəl/
Mangel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mangels | enkelvoud |
| mangeltje | verkleinwoord |
| mangeltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mangelen | enkelvoud |
| mangels | enkelvoud |
| mangeltje | verkleinwoord |
| mangeltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mangelen
- gebiedende wijs van mangelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mangelen
Vervoeging van mangel
mangelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘pers met rollen’ voor het eerst aangetroffen in 1766
Woordfamilie van mangel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mangels | enkelvoud | mangel |
| mangeltje | verkleinwoord | mangel |
| mangeltjes | verkleinwoord | mangel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mangel zijn vastgelegd.