Naar de inhoud

majoreren

(bij de uitgifte van aandelen of obligaties door een uitgevende instelling) voor een hoger bedrag inschrijven door de koper dan men verwacht te zullen krijgen

majoreren

werkwoord

Betekenis

  1. (bij de uitgifte van aandelen of obligaties door een uitgevende instelling) voor een hoger bedrag inschrijven door de koper dan men verwacht te zullen krijgen

werkwoord

  1. voor een hoger bedrag inschrijven door de koper dan men verwacht te zullen krijgen intransitive

Vervoeging van majoreren

majorerenhele werkwoord — majoreerdeverleden tijd enkelvoud — majoreerdenverleden tijd meervoud — gemajoreerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik majoreer majoreerde
jij majoreert majoreerde
hij, zij, het majoreert majoreerde
wij majoreren majoreerden
jullie majoreren majoreerden
zij majoreren majoreerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gemajoreerd verleden tijd, deelwoord
gemajoreerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemajoreerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gemajoreerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gemajoreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gemajoreerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gemajoreerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gemajoreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gemajoreerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gemajoreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gemajoreerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemajoreerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gemajoreerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemajoreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gemajoreerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gemajoreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemajoreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemajoreerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
majoreer gebiedende wijs
majoreerde verleden tijd
majorere aanvoegende wijs
majorerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gemajoreerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te majoreren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen majoreren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gemajoreerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gemajoreerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gemajoreerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal majoreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal majoreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal majoreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gemajoreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gemajoreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gemajoreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou majoreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou majoreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou majoreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gemajoreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gemajoreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gemajoreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden majoreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden majoreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden majoreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gemajoreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt majoreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gemajoreerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gemajoreerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gemajoreerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen majoreren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen majoreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen majoreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen majoreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gemajoreerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult majoreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse majorer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van majoreren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gemajoreerd voltooid deelwoord majoreren
majoreer gebiedende wijs majoreren
majoreerde verleden tijd majoreren
majoreerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon majoreren
majoreert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon majoreren
majorere aanvoegende wijs majoreren
majorerend onvoltooid deelwoord majoreren
majorerende woordvorm majoreren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van majoreren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over majoreren

Wat betekent majoreren?
Majoreren is een werkwoord. Het woord betekent: (bij de uitgifte van aandelen of obligaties door een uitgevende instelling) voor een hoger bedrag inschrijven door de koper dan men verwacht te zullen krijgen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je majoreren?
Je vervoegt majoreren als volgt: de tegenwoordige tijd is majoreer, de verleden tijd is majoreerde en het voltooid deelwoord is gemajoreerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord majoreren is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. A 1
  3. J 4
  4. O 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

majoreren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. A 1
  3. J 4
  4. O 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

majoreren in het kort

majoreren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van majoreren zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort majoreren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

majoreren: (bij de uitgifte van aandelen of obligaties door een uitgevende instelling) voor een hoger bedrag inschrijven door de koper dan men verwacht te zullen krijgen
Deel majoreren — standaardnederlands.nl