majoreren
werkwoordBetekenis
- (bij de uitgifte van aandelen of obligaties door een uitgevende instelling) voor een hoger bedrag inschrijven door de koper dan men verwacht te zullen krijgen
werkwoord
- voor een hoger bedrag inschrijven door de koper dan men verwacht te zullen krijgen intransitive
Vervoeging van majoreren
majorerenhele werkwoord — majoreerdeverleden tijd enkelvoud — majoreerdenverleden tijd meervoud — gemajoreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | majoreer | majoreerde |
| jij | majoreert | majoreerde |
| hij, zij, het | majoreert | majoreerde |
| wij | majoreren | majoreerden |
| jullie | majoreren | majoreerden |
| zij | majoreren | majoreerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemajoreerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemajoreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemajoreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemajoreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemajoreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemajoreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemajoreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemajoreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemajoreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemajoreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemajoreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemajoreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemajoreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemajoreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemajoreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemajoreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemajoreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemajoreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| majoreer | gebiedende wijs |
| majoreerde | verleden tijd |
| majorere | aanvoegende wijs |
| majorerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemajoreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te majoreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen majoreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemajoreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemajoreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemajoreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemajoreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemajoreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemajoreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemajoreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemajoreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemajoreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemajoreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemajoreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemajoreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemajoreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen majoreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemajoreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult majoreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse majorer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van majoreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemajoreerd | voltooid deelwoord | majoreren |
| majoreer | gebiedende wijs | majoreren |
| majoreerde | verleden tijd | majoreren |
| majoreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | majoreren |
| majoreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | majoreren |
| majorere | aanvoegende wijs | majoreren |
| majorerend | onvoltooid deelwoord | majoreren |
| majorerende | woordvorm | majoreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van majoreren zijn vastgelegd.