lozen
werkwoordBetekenis
- iets uitwerpen, kwijt zien te raken, gewoonlijk een vloeistof
Vervoeging van lozen
lozenhele werkwoord — loosdeverleden tijd enkelvoud — loosdenverleden tijd meervoud — geloosdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loos | loosde |
| jij | loost | loosde |
| hij, zij, het | loost | loosde |
| wij | lozen | loosden |
| jullie | lozen | loosden |
| zij | lozen | loosden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geloosd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geloosd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geloosd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geloosd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geloosd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geloosd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geloosd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geloosd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geloosd | verleden tijd, deelwoord |
| geloosd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geloosd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geloosd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geloosd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geloosd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geloosd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geloosd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geloosd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geloosd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geloosd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geloosd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geloosd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geloosd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geloosd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geloosd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geloosd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geloosd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| loos | gebiedende wijs |
| loosde | verleden tijd |
| loze | aanvoegende wijs |
| lozend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geloosd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lozen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lozen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geloosd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geloosd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geloosd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geloosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geloosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geloosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geloosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geloosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geloosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geloosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geloosd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geloosd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geloosd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lozen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geloosd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘losmaken, verwijderen’ voor het eerst aangetroffen in 1275
Woordfamilie van lozen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geloosd | voltooid deelwoord | lozen |
| geloosde | woordvorm | lozen |
| loosde | verleden tijd | lozen |
| loosden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lozen |
| lozend | onvoltooid deelwoord | lozen |
| lozende | woordvorm | lozen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lozen zijn vastgelegd.