losrukken
werkwoord /ˈlɔs.rʏ.kə(n)/Betekenis
- met een ruk losmaken
Hoe spreek je losrukken uit?
/ˈlɔsrʏkən/
Losrukken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| r | rood |
| ʏ | put |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van losrukken
losrukkenhele werkwoord — rukte losverleden tijd enkelvoud — rukten losverleden tijd meervoud — losgeruktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ruk los | rukte los |
| jij | rukt los | rukte los |
| hij, zij, het | rukt los | rukte los |
| wij | rukken los | rukten los |
| jullie | rukken los | rukten los |
| zij | rukken los | rukten los |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is losgerukt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was losgerukt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd losgerukt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt losgerukt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal losgerukt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal losgerukt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou losgerukt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou losgerukt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had losgerukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had losgerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had losgerukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden losgerukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden losgerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden losgerukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt losgerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben losgerukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| los te rukken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| los te zullen rukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| los zal rukken | bijzin, toekomende tijd |
| los zou rukken | bijzin, voorwaardelijk |
| los zouden rukken | bijzin, voorwaardelijk |
| los zoudt rukken | bijzin, voorwaardelijk |
| los zullen rukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| los zullen rukken | bijzin, toekomende tijd |
| los zult rukken | bijzin, toekomende tijd |
| losgerukt | verleden tijd, deelwoord |
| losgerukt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| losgerukt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| losgerukt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgerukt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgerukt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgerukt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| losgerukt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| losgerukt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| losgerukt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| losgerukt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| losruk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| losrukkend | onvoltooid, deelwoord |
| losrukt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| losrukte | bijzin, verleden tijd |
| losrukten | bijzin, verleden tijd |
| ruk los | gebiedende wijs |
| rukte los | verleden tijd |
| te hebben losgerukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen losrukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart losgerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren losgerukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren losgerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren losgerukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was losgerukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was losgerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was losgerukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt losgerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal losgerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal losgerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal losgerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal losrukken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt losgerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou losgerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou losrukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) losrukken los zou(dt) rukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden losgerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden losgerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden losgerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden losgerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden losgerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden losgerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden losrukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt losgerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt losgerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt losrukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen losgerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen losgerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen losgerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen losgerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen losgerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen losgerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen losgerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen losrukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen losrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen losrukken | bijzin, toekomende tijd |
| zult losgerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van los en rukken
Woordfamilie van losrukken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| losgerukt | voltooid deelwoord | losrukken |
| losgerukte | woordvorm | losrukken |
| losruk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | losrukken |
| losrukke | with-subordinate-clause | losrukken |
| losrukkend | onvoltooid deelwoord | losrukken |
| losrukkende | woordvorm | losrukken |
| losrukt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | losrukken |
| losrukte | subordinate-clause, verleden tijd | losrukken |
| losrukten | subordinate-clause, verleden tijd | losrukken |
| ruk los | gebiedende wijs | losrukken |
| rukke los | woordvorm | losrukken |
| rukken los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | losrukken |
| rukt los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | losrukken |
| rukte los | verleden tijd | losrukken |
| rukten los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | losrukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van losrukken zijn vastgelegd.