Naar de inhoud

losrijden

(iemand) rijdend achter zich laten

losrijden

werkwoord

Betekenis

  1. (iemand) rijdend achter zich laten
  2. door rijden losraken

werkwoord

  1. rijdend achter zich laten transitive

Vervoeging van losrijden

losrijdenhele werkwoord — reed losverleden tijd enkelvoud — reden losverleden tijd meervoud — losgeredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rij los reed los
jij rijdt los reed los
hij, zij, het rijdt los reed los
wij rijden los reden los
jullie rijden los reden los
zij rijden los reden los
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is losgereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was losgereden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd losgereden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt losgereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal losgereden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal losgereden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou losgereden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou losgereden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had losgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had losgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had losgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden losgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden losgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden losgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt losgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
los te rijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
los te zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
los zal rijden bijzin, toekomende tijd
los zou rijden bijzin, voorwaardelijk
los zouden rijden bijzin, voorwaardelijk
los zoudt rijden bijzin, voorwaardelijk
los zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
los zullen rijden bijzin, toekomende tijd
los zult rijden bijzin, toekomende tijd
losgereden verleden tijd, deelwoord
losgereden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
losgereden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
losgereden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgereden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgereden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgereden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
losgereden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
losgereden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
losgereden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
losgereden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
losreden bijzin, verleden tijd
losreed bijzin, verleden tijd
losrij bijzin, tegenwoordige tijd
losrijd bijzin, tegenwoordige tijd
losrijdend onvoltooid, deelwoord
losrijdt bijzin, tegenwoordige tijd
reed los verleden tijd
rij los gebiedende wijs
rijd los gebiedende wijs
te hebben losgereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen losrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart losgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren losgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was losgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was losgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was losgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd losgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd losgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd losgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden losgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden losgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden losgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt losgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word losgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden losgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden losgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden losgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt losgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt losgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal losgereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal losgereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal losgereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal losrijden bijzin, toekomende tijd
zijn losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt losgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou losgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou losrijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) losrijden los zou(dt) rijden bijzin, voorwaardelijk
zouden losgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden losrijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt losgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt losrijden bijzin, voorwaardelijk
zullen losgereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen losgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losgereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen losrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van los en rijden

Woordfamilie van losrijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
losgereden voltooid deelwoord losrijden
losreden subordinate-clause, verleden tijd losrijden
losreed subordinate-clause, verleden tijd losrijden
losrij subordinate-clause, tegenwoordige tijd losrijden
losrijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd losrijden
losrijde with-subordinate-clause losrijden
losrijdend onvoltooid deelwoord losrijden
losrijdende woordvorm losrijden
losrijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd losrijden
reden los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon losrijden
reed los verleden tijd losrijden
rij los gebiedende wijs losrijden
rijd los gebiedende wijs losrijden
rijde los woordvorm losrijden
rijden los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon losrijden
rijdt los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon losrijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van losrijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over losrijden

Wat is de betekenis van losrijden?
Losrijden is een werkwoord. De betekenis is: (iemand) rijdend achter zich laten. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik losrijden?
Zo vervoeg je losrijden zo: het voltooid deelwoord is losgereden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord losrijden is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. R 2
  5. I 1
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

losrijden levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. R 2
  5. I 2
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

losrijden in het kort

losrijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van losrijden staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort losrijden bij een woordfamilie van 16 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

losrijden: (iemand) rijdend achter zich laten
Deel losrijden — standaardnederlands.nl