logeren
werkwoordBetekenis
- (iemand) in huis opnemen, herbergen
- (bij iemand) blijven slapen
werkwoord
- in huis opnemen, herbergen transitive
- blijven slapen unergative
Vervoeging van logeren
logerenhele werkwoord — logeerdeverleden tijd enkelvoud — logeerdenverleden tijd meervoud — gelogeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | logeer | logeerde |
| jij | logeert | logeerde |
| hij, zij, het | logeert | logeerde |
| wij | logeren | logeerden |
| jullie | logeren | logeerden |
| zij | logeren | logeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelogeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gelogeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelogeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelogeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelogeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelogeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelogeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelogeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelogeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelogeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelogeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelogeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| logeer | gebiedende wijs |
| logeerde | verleden tijd |
| logere | aanvoegende wijs |
| logerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gelogeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te logeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen logeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal logeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal logeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal logeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou logeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou logeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou logeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden logeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden logeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden logeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelogeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt logeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen logeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen logeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen logeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen logeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelogeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult logeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘als gast zijn intrek nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van logeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelogeerd | voltooid deelwoord | logeren |
| gelogeerde | woordvorm | logeren |
| logeer | gebiedende wijs | logeren |
| logeerde | verleden tijd | logeren |
| logeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | logeren |
| logeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | logeren |
| logere | aanvoegende wijs | logeren |
| logerend | onvoltooid deelwoord | logeren |
| logerende | woordvorm | logeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van logeren zijn vastgelegd.