lente
zelfstandig naamwoord ˈlɛntəBetekenis
- eerste jaargetijde, één van de vier seizoenen
- bril
- lens
Hoe spreek je lente uit?
/ˈlɛntə/
Lente bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- eerste jaargetijde, een van de vier seizoenen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lentes | meervoud |
| lentetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lentetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘voorjaar’ voor het eerst aangetroffen in 1050
Woordfamilie van lente
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lentes | meervoud | lente |
| lentetje | verkleinwoord | lente |
| lentetjes | verkleinwoord meervoud | lente |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lente zijn vastgelegd.