lentegroen
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- de frisse groene kleur zoals die in de lente gezien kan worden
- hebbend
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lentegroentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lentegroentjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- de kleur lentegroen hebbend
Herkomst
samenstelling van lente en groen
Woordfamilie van lentegroen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lentegroene | woordvorm | lentegroen |
| lentegroener | woordvorm | lentegroen |
| lentegroenere | woordvorm | lentegroen |
| lentegroeners | woordvorm | lentegroen |
| lentegroens | woordvorm | lentegroen |
| lentegroenst | woordvorm | lentegroen |
| lentegroenste | woordvorm | lentegroen |
| lentegroentje | verkleinwoord | lentegroen |
| lentegroentjes | verkleinwoord meervoud | lentegroen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lentegroen zijn vastgelegd.