Naar de inhoud

legitimeren

rechtmatig, legitiem maken

legitimeren

werkwoord

Betekenis

  1. rechtmatig, legitiem maken
  2. bevestigen dat men de persoon is voor wie men zich uitgeeft

Vervoeging van legitimeren

legitimerenhele werkwoord — legitimeerdeverleden tijd enkelvoud — legitimeerdenverleden tijd meervoud — gelegitimeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik legitimeer legitimeerde
jij legitimeert legitimeerde
hij, zij, het legitimeert legitimeerde
wij legitimeren legitimeerden
jullie legitimeren legitimeerden
zij legitimeren legitimeerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gelegitimeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gelegitimeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gelegitimeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gelegitimeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gelegitimeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gelegitimeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gelegitimeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gelegitimeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gelegitimeerd verleden tijd, deelwoord
gelegitimeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelegitimeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelegitimeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelegitimeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelegitimeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelegitimeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gelegitimeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gelegitimeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelegitimeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelegitimeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelegitimeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
legitimeer gebiedende wijs
legitimeer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
legitimeer u/je , legitimeert je gebiedende wijs
legitimeerde verleden tijd
legitimeerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
legitimeerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
legitimeerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
legitimeerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
legitimeerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
legitimeerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
legitimeerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
legitimeerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
legitimeerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
legitimeerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
legitimeert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
legitimeert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
legitimeert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
legitimeert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
legitimeert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
legitimeert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
legitimere aanvoegende wijs
legitimere zich aanvoegende wijs
legitimeren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
legitimeren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
legitimeren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
legitimerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gelegitimeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te legitimeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen legitimeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gelegitimeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gelegitimeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gelegitimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelegitimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gelegitimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelegitimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelegitimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gelegitimeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelegitimeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal legitimeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal legitimeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal legitimeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me legitimeren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich legitimeren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je legitimeren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gelegitimeerd hebben verleden tijd
zich legitimerend onvoltooid, deelwoord
zijn gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gelegitimeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gelegitimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelegitimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelegitimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelegitimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelegitimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gelegitimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelegitimeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelegitimeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelegitimeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou legitimeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou legitimeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou legitimeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gelegitimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelegitimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelegitimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelegitimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelegitimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelegitimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelegitimeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelegitimeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelegitimeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden legitimeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden legitimeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden legitimeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gelegitimeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelegitimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelegitimeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt legitimeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gelegitimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelegitimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelegitimeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelegitimeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wettigen’ voor het eerst aangetroffen in 1540

Woordfamilie van legitimeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gelegitimeerd voltooid deelwoord legitimeren
gelegitimeerde woordvorm legitimeren
legitimeer gebiedende wijs legitimeren
legitimeerde verleden tijd legitimeren
legitimeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon legitimeren
legitimeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon legitimeren
legitimere aanvoegende wijs legitimeren
legitimerend onvoltooid deelwoord legitimeren
legitimerende woordvorm legitimeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van legitimeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over legitimeren

Wat betekent legitimeren?
Legitimeren is een werkwoord. Het woord betekent: rechtmatig, legitiem maken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je legitimeren?
Je vervoegt legitimeren als volgt: de tegenwoordige tijd is legitimeer, de verleden tijd is legitimeerde en het voltooid deelwoord is gelegitimeerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord legitimeren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. E 1
  3. G 3
  4. I 1
  5. T 2
  6. I 1
  7. M 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

legitimeren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. E 1
  3. G 3
  4. I 2
  5. T 2
  6. I 2
  7. M 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

legitimeren in het kort

legitimeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van legitimeren zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort legitimeren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

legitimeren: rechtmatig, legitiem maken
Deel legitimeren — standaardnederlands.nl