ladder
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈlɑdərBetekenis
- een houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
- verkorting van toonladder
Hoe spreek je ladder uit?
/ˈlɑdər/
Ladder bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
- langwerpige beschadiging van een nylonkous
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ladders | meervoud |
| laddertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| laddertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ladderen
- gebiedende wijs van ladderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ladderen
Vervoeging van ladder
ladderhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands ladere, in de betekenis van ‘trap’ aangetroffen vanaf 1317
Woordfamilie van ladder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ladders | meervoud | ladder |
| laddertje | verkleinwoord | ladder |
| laddertjes | verkleinwoord meervoud | ladder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ladder zijn vastgelegd.