Naar de inhoud

kruisigen

een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt

kruisigen

werkwoord

Betekenis

  1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt

Vervoeging van kruisigen

kruisigenhele werkwoord — kruisigdeverleden tijd enkelvoud — kruisigdenverleden tijd meervoud — gekruisigdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kruisig kruisigde
jij kruisigt kruisigde
hij, zij, het kruisigt kruisigde
wij kruisigen kruisigden
jullie kruisigen kruisigden
zij kruisigen kruisigden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gekruisigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gekruisigd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gekruisigd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gekruisigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gekruisigd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gekruisigd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gekruisigd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gekruisigd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gekruisigd verleden tijd, deelwoord
gekruisigd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekruisigd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekruisigd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekruisigd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekruisigd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekruisigd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekruisigd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekruisigd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekruisigd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekruisigd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gekruisigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gekruisigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gekruisigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gekruisigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gekruisigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gekruisigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gekruisigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekruisigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kruisig gebiedende wijs
kruisigde verleden tijd
kruisige aanvoegende wijs
kruisigend onvoltooid, deelwoord
te hebben gekruisigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te kruisigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kruisigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gekruisigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekruisigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gekruisigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekruisigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gekruisigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gekruisigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gekruisigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gekruisigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gekruisigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekruisigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gekruisigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gekruisigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekruisigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gekruisigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gekruisigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekruisigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekruisigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekruisigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekruisigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekruisigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gekruisigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekruisigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekruisigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekruisigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekruisigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekruisigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gekruisigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekruisigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gekruisigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekruisigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekruisigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gekruisigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekruisigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekruisigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kruisigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gekruisigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gekruisigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gekruisigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult kruisigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘aan een kruis slaan’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Woordfamilie van kruisigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gekruisigd voltooid deelwoord kruisigen
gekruisigde woordvorm kruisigen
kruisig gebiedende wijs kruisigen
kruisigde verleden tijd kruisigen
kruisigden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kruisigen
kruisige aanvoegende wijs kruisigen
kruisigend onvoltooid deelwoord kruisigen
kruisigende woordvorm kruisigen
kruisigt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kruisigen
gekruisigden meervoud gekruisigde

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kruisigen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over kruisigen

Wat betekent kruisigen?
Kruisigen is een werkwoord. Het woord betekent: een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt.
Hoe vervoeg je kruisigen?
Je vervoegt kruisigen als volgt: de tegenwoordige tijd is kruisig, de verleden tijd is kruisigde en het voltooid deelwoord is gekruisigd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kruisigen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. R 2
  3. U 4
  4. I 1
  5. S 2
  6. I 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kruisigen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. R 2
  3. U 2
  4. I 2
  5. S 2
  6. I 2
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

kruisigen in het kort

kruisigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van kruisigen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort kruisigen bij een woordfamilie van 10 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

kruisigen: een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
Deel kruisigen — standaardnederlands.nl