Naar de inhoud

krabbelen

de huid met de nagels bewerken

krabbelen

werkwoord

Betekenis

  1. de huid met de nagels bewerken
  2. de eigen huid met de nagels bewerken
  3. zonder veel aandacht schrijven of tekenen
  4. handen of benen onbeholpen bewegen

Vervoeging van krabbelen

krabbelenhele werkwoord — krabbeldeverleden tijd enkelvoud — krabbeldenverleden tijd meervoud — gekrabbeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik krabbel krabbelde
jij krabbelt krabbelde
hij, zij, het krabbelt krabbelde
wij krabbelen krabbelden
jullie krabbelen krabbelden
zij krabbelen krabbelden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gekrabbeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gekrabbeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gekrabbeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gekrabbeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gekrabbeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gekrabbeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gekrabbeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gekrabbeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gekrabbeld verleden tijd, deelwoord
gekrabbeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekrabbeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekrabbeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekrabbeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekrabbeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekrabbeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekrabbeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekrabbeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekrabbeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekrabbeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gekrabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gekrabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gekrabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gekrabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekrabbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krabbel gebiedende wijs
krabbel me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
krabbel u/je , krabbelt je gebiedende wijs
krabbelde verleden tijd
krabbelde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
krabbelde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
krabbelde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
krabbelde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
krabbelde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
krabbelde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
krabbelde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
krabbelden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
krabbelden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
krabbelden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
krabbele aanvoegende wijs
krabbele zich aanvoegende wijs
krabbelen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
krabbelen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
krabbelen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
krabbelend onvoltooid, deelwoord
krabbelt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
krabbelt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
krabbelt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
krabbelt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
krabbelt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
krabbelt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
te hebben gekrabbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te krabbelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen krabbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekrabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekrabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gekrabbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gekrabbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gekrabbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gekrabbeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gekrabbeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekrabbeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal krabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal krabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal krabbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me krabbelen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich krabbelen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je krabbelen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gekrabbeld hebben verleden tijd
zich krabbelend onvoltooid, deelwoord
zijn gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gekrabbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou krabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou krabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou krabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden krabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden krabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden krabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gekrabbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekrabbeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt krabbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekrabbeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gekrabbeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘herhaaldelijk krabben’ voor het eerst aangetroffen in 1432

Woordfamilie van krabbelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gekrabbeld voltooid deelwoord krabbelen
gekrabbelde woordvorm krabbelen
krabbelde verleden tijd krabbelen
krabbelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon krabbelen
krabbele aanvoegende wijs krabbelen
krabbelend onvoltooid deelwoord krabbelen
krabbelende woordvorm krabbelen
krabbelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon krabbelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krabbelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over krabbelen

Wat is de betekenis van krabbelen?
Krabbelen is een werkwoord. De betekenis is: de huid met de nagels bewerken. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik krabbelen?
Zo vervoeg je krabbelen zo: de tegenwoordige tijd is krabbel, de verleden tijd is krabbelde en het voltooid deelwoord is gekrabbeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord krabbelen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. R 2
  3. A 1
  4. B 3
  5. B 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

krabbelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. R 2
  3. A 1
  4. B 4
  5. B 4
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

krabbelen in het kort

krabbelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van krabbelen staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort krabbelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

krabbelen: de huid met de nagels bewerken
Deel krabbelen — standaardnederlands.nl