krabbelen
werkwoordBetekenis
- de huid met de nagels bewerken
- de eigen huid met de nagels bewerken
- zonder veel aandacht schrijven of tekenen
- handen of benen onbeholpen bewegen
Vervoeging van krabbelen
krabbelenhele werkwoord — krabbeldeverleden tijd enkelvoud — krabbeldenverleden tijd meervoud — gekrabbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | krabbel | krabbelde |
| jij | krabbelt | krabbelde |
| hij, zij, het | krabbelt | krabbelde |
| wij | krabbelen | krabbelden |
| jullie | krabbelen | krabbelden |
| zij | krabbelen | krabbelden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekrabbeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekrabbeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekrabbeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekrabbeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekrabbeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekrabbeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekrabbeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekrabbeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekrabbeld | verleden tijd, deelwoord |
| gekrabbeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekrabbeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekrabbeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekrabbeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekrabbeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekrabbeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekrabbeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekrabbeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekrabbeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekrabbeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekrabbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krabbel | gebiedende wijs |
| krabbel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| krabbel u/je , krabbelt je | gebiedende wijs |
| krabbelde | verleden tijd |
| krabbelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| krabbelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| krabbelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| krabbelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| krabbelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| krabbelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| krabbelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| krabbelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| krabbelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| krabbelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| krabbele | aanvoegende wijs |
| krabbele zich | aanvoegende wijs |
| krabbelen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| krabbelen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| krabbelen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| krabbelend | onvoltooid, deelwoord |
| krabbelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| krabbelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| krabbelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| krabbelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| krabbelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| krabbelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben gekrabbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te krabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen krabbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekrabbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekrabbeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekrabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekrabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekrabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekrabbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekrabbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekrabbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekrabbeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal krabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal krabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal krabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me krabbelen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich krabbelen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je krabbelen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gekrabbeld hebben | verleden tijd |
| zich krabbelend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekrabbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekrabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekrabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekrabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekrabbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekrabbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekrabbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou krabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou krabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou krabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekrabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekrabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekrabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekrabbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekrabbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekrabbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden krabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden krabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden krabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekrabbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekrabbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekrabbeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt krabbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekrabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekrabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekrabbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekrabbeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘herhaaldelijk krabben’ voor het eerst aangetroffen in 1432
Woordfamilie van krabbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekrabbeld | voltooid deelwoord | krabbelen |
| gekrabbelde | woordvorm | krabbelen |
| krabbelde | verleden tijd | krabbelen |
| krabbelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | krabbelen |
| krabbele | aanvoegende wijs | krabbelen |
| krabbelend | onvoltooid deelwoord | krabbelen |
| krabbelende | woordvorm | krabbelen |
| krabbelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | krabbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krabbelen zijn vastgelegd.