krabbelaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die krabbelt
- beginnend schaatser
- zeilschip met platte bodem dat gebruikt werd om zeehavens op diepte te houden of zandbanken en andere ondiepten in vaarwegen te verwijderen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| krabbelaars | meervoud |
| krabbelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| krabbelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van krabbelen met het achtervoegsel -aar
Woordfamilie van krabbelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| krabbelaars | meervoud | krabbelaar |
| krabbelaartje | verkleinwoord | krabbelaar |
| krabbelaartjes | verkleinwoord meervoud | krabbelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krabbelaar zijn vastgelegd.