knickerbocker
zelfstandig naamwoord ˈnɪkərˌbɔkərBetekenis
- wijde korte broek wa
Hoe spreek je knickerbocker uit?
/ˈnɪkərˌbɔkər/
Knickerbocker bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| b | bak |
| ɔ | bot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knickerbockers | meervoud |
Herkomst
eponiem, van Engels knickerbockers, naar het personage Diedrich Knickerbocker die met zo'n broek werd afgebeeld in het boek A History of New York : From the Beginning of the World to the End of the Dutch Dynasty van de Amerikaanse schrijver W. Irving uit 1809, in de betekenis van ‘kniebroek’ voor het eerst aangetroffen in 1929
Woordfamilie van knickerbocker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knickerbockers | meervoud | knickerbocker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knickerbocker zijn vastgelegd.