borg
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɔrxBetekenis
- iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag, de borgsteller
- borgsom, borgtocht, waarborgsom, cautie, onderpand
- gecastreerd mannetjesvarken
- burcht, kasteel
- klip, rots
- gemeente, stad
Hoe spreek je borg uit?
/bɔrx/
Borg bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| x | acht |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een gecastreerd mannetjesvarken
- ketting of touw om iets mee vast te zetten, of een daarvoor bedoeld machineonderdeel
- de Groningse variant van een burcht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| borgen | meervoud |
| borgje | verkleinwoord, enkelvoud |
| borgjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van bergen
Vervoeging van borg
borghele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van borgen
- gebiedende wijs van borgen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van borgen
Vervoeging van borg
borghele werkwoord
Herkomst
Van Middelnederlands borgh, Protogermaans *burg-. Etymologisch verwant met o.a. bergen, Oudfries borg/borgia/burgia, Engels borrow. .
Woordfamilie van borg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| borgje | verkleinwoord | borg |
| borgjes | verkleinwoord meervoud | borg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van borg zijn vastgelegd.