klepperen
werkwoordBetekenis
- voortdurend een kleppend geluid maken
Vervoeging van klepperen
klepperenhele werkwoord — klepperdeverleden tijd enkelvoud — klepperdenverleden tijd meervoud — geklepperdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | klepper | klepperde |
| jij | kleppert | klepperde |
| hij, zij, het | kleppert | klepperde |
| wij | klepperen | klepperden |
| jullie | klepperen | klepperden |
| zij | klepperen | klepperden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geklepperd | verleden tijd, deelwoord |
| geklepperd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geklepperd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geklepperd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geklepperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geklepperd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geklepperd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geklepperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geklepperd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geklepperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geklepperd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geklepperd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geklepperd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geklepperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geklepperd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geklepperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geklepperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geklepperd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klepper | gebiedende wijs |
| klepperde | verleden tijd |
| kleppere | aanvoegende wijs |
| klepperend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geklepperd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te klepperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klepperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geklepperd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geklepperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geklepperd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geklepperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geklepperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geklepperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geklepperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geklepperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geklepperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geklepperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geklepperd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geklepperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geklepperd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klepperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geklepperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klepperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘een kleppend geluid geven’ voor het eerst aangetroffen in 1636
Woordfamilie van klepperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geklepperd | voltooid deelwoord | klepperen |
| klepperde | verleden tijd | klepperen |
| klepperden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klepperen |
| kleppere | aanvoegende wijs | klepperen |
| klepperend | onvoltooid deelwoord | klepperen |
| klepperende | woordvorm | klepperen |
| kleppert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | klepperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klepperen zijn vastgelegd.