kiem
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- beginsel waaruit iets groeit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kiemen | meervoud |
| kiempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kiempjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kiemen
- gebiedende wijs van kiemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kiemen
Vervoeging van kiem
kiemhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘beginsel, uitloper’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van kiem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kiempje | verkleinwoord | kiem |
| kiempjes | verkleinwoord meervoud | kiem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kiem zijn vastgelegd.