keur
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- stempelmerk dat het gehalte aan goud of zilver aangeeft
- veel keus van hoge kwaliteit, uitgelezen verscheidenheid
- plaatselijke verordening (b.v. gildekeur)
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- plaatselijke verordening (b.v. gildekeur, waterschapskeur)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| keuren | meervoud |
| keurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| keurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keuren
- gebiedende wijs van keuren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keuren
Vervoeging van keur
keurhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘handvest’ voor het eerst aangetroffen in 1217
Woordfamilie van keur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| keurtje | verkleinwoord | keur |
| keurtjes | verkleinwoord meervoud | keur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van keur zijn vastgelegd.