piano
zelfstandig naamwoord, bijwoord piˈjanoBetekenis
- algemene benaming voor een groot snaarinstrument waarvan de snaren via een toetsenbord (klavier) door hamertjes zacht of hard kunnen worden aangeslagen
- specifieke benaming voor het 'wandmodel' van instrument 1 waarbij het toetsenbord haaks op de kast staat
- met een lage geluidssterkte
- zachtjes, rustig aan
Hoe spreek je piano uit?
/piˈjano/
Piano bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| i | riet |
| j | ja |
| a | maan |
| n | nek |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- specifieke benaming voor het "wandmodel" van instrument [1] waarbij het toetsenbord haaks op de kast staat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| piano's | meervoud |
| pianootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pianootjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (bijwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| p |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘toetsinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1836
Woordfamilie van piano
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| piano's | meervoud | piano |
| pianootje | verkleinwoord | piano |
| pianootjes | verkleinwoord meervoud | piano |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van piano zijn vastgelegd.