kavel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- stuk grond dat als één geheel in kadaster wordt beschreven
- één of meer voorwerpen die als één geheel worden geveild
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kavelen | meervoud |
| kavels | meervoud |
| kaveltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kaveltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kavelen
- gebiedende wijs van kavelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kavelen
Vervoeging van kavel
kavelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘deel, perceel’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van kavel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kavels | meervoud | kavel |
| kaveltje | verkleinwoord | kavel |
| kaveltjes | verkleinwoord meervoud | kavel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kavel zijn vastgelegd.