kauwen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- (m.b.t. voedsel) fijnmaken met de tanden
werkwoord
- fijnmaken met de tanden
Vervoeging van kauwen
kauwenhele werkwoord — kauwdeverleden tijd enkelvoud — kauwdenverleden tijd meervoud — gekauwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kauw | kauwde |
| jij | kauwt | kauwde |
| hij, zij, het | kauwt | kauwde |
| wij | kauwen | kauwden |
| jullie | kauwen | kauwden |
| zij | kauwen | kauwden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gekauwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekauwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekauwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekauwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekauwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekauwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekauwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekauwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekauwd | verleden tijd, deelwoord |
| gekauwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekauwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekauwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekauwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekauwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekauwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekauwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kauw | gebiedende wijs |
| kauwde | verleden tijd |
| kauwe | aanvoegende wijs |
| kauwend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekauwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kauwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kauwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kauwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kauw
Herkomst
In de betekenis van ‘met de kiezen vermalen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van kauwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekauwd | voltooid deelwoord | kauwen |
| gekauwde | woordvorm | kauwen |
| kauwde | verleden tijd | kauwen |
| kauwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kauwen |
| kauwe | aanvoegende wijs | kauwen |
| kauwend | onvoltooid deelwoord | kauwen |
| kauwende | woordvorm | kauwen |
| kauwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kauwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kauwen zijn vastgelegd.