kauwgum
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een snoepgoed oorspronkelijk vervaardigd van het plantensap van de boom , nu vaak vervangn door polyisobuteen
zelfstandig naamwoord — neuter
- een snoepgoed oorspronkelijk vervaardigd van het plantensap van de boom Manilkara chicle, nu vaak vervangn door polyisobuteen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kauwgummen | meervoud |
| kauwgummetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kauwgummetjes | verkleinwoord, meervoud |
| kauwgums | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘snoepgoed van suiker, olie en gom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1921
Woordfamilie van kauwgum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kauwgummen | meervoud | kauwgum |
| kauwgummetje | verkleinwoord | kauwgum |
| kauwgummetjes | verkleinwoord meervoud | kauwgum |
| kauwgums | meervoud | kauwgum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kauwgum zijn vastgelegd.