Naar de inhoud

kamperen

in de buitenlucht verblijven met een tent

kamperen

werkwoord

Betekenis

  1. in de buitenlucht verblijven met een tent

Vervoeging van kamperen

kamperenhele werkwoord — kampeerdeverleden tijd enkelvoud — kampeerdenverleden tijd meervoud — gekampeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kampeer kampeerde
jij kampeert kampeerde
hij, zij, het kampeert kampeerde
wij kamperen kampeerden
jullie kamperen kampeerden
zij kamperen kampeerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gekampeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gekampeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gekampeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gekampeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gekampeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gekampeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gekampeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gekampeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gekampeerd verleden tijd, deelwoord
gekampeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekampeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gekampeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gekampeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gekampeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gekampeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gekampeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gekampeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gekampeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gekampeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekampeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gekampeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekampeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gekampeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gekampeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekampeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekampeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kampeer gebiedende wijs
kampeerde verleden tijd
kampere aanvoegende wijs
kamperend onvoltooid, deelwoord
te hebben gekampeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te kamperen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kamperen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gekampeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekampeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gekampeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kamperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kamperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kamperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gekampeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekampeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekampeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kamperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kamperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kamperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gekampeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekampeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekampeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kamperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kamperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kamperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gekampeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kamperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gekampeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekampeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekampeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kamperen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kamperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kamperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kamperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gekampeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult kamperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tijdelijk in tenten verblijven’ voor het eerst aangetroffen in 1688

Woordfamilie van kamperen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gekampeerd voltooid deelwoord kamperen
kampeer gebiedende wijs kamperen
kampeerde verleden tijd kamperen
kampeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kamperen
kampeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kamperen
kampere aanvoegende wijs kamperen
kamperend onvoltooid deelwoord kamperen
kamperende woordvorm kamperen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kamperen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over kamperen

Wat is de betekenis van kamperen?
Kamperen is een werkwoord. De betekenis is: in de buitenlucht verblijven met een tent.
Hoe vervoeg ik kamperen?
Zo vervoeg je kamperen zo: de tegenwoordige tijd is kampeer, de verleden tijd is kampeerde en het voltooid deelwoord is gekampeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kamperen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. A 1
  3. M 3
  4. P 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kamperen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. A 1
  3. M 3
  4. P 4
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

kamperen in het kort

kamperen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van kamperen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort kamperen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

kamperen: in de buitenlucht verblijven met een tent
Deel kamperen — standaardnederlands.nl