kamperen
werkwoordBetekenis
- in de buitenlucht verblijven met een tent
Vervoeging van kamperen
kamperenhele werkwoord — kampeerdeverleden tijd enkelvoud — kampeerdenverleden tijd meervoud — gekampeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kampeer | kampeerde |
| jij | kampeert | kampeerde |
| hij, zij, het | kampeert | kampeerde |
| wij | kamperen | kampeerden |
| jullie | kamperen | kampeerden |
| zij | kamperen | kampeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gekampeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekampeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekampeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekampeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekampeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekampeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekampeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekampeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekampeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gekampeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekampeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekampeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekampeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekampeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekampeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekampeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekampeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekampeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekampeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekampeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kampeer | gebiedende wijs |
| kampeerde | verleden tijd |
| kampere | aanvoegende wijs |
| kamperend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekampeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kamperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kamperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekampeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kamperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekampeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kamperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tijdelijk in tenten verblijven’ voor het eerst aangetroffen in 1688
Woordfamilie van kamperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekampeerd | voltooid deelwoord | kamperen |
| kampeer | gebiedende wijs | kamperen |
| kampeerde | verleden tijd | kamperen |
| kampeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kamperen |
| kampeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kamperen |
| kampere | aanvoegende wijs | kamperen |
| kamperend | onvoltooid deelwoord | kamperen |
| kamperende | woordvorm | kamperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kamperen zijn vastgelegd.