kalk
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈkɑl(ə)k/Betekenis
- aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium, zoals calciumoxide (ook wel ongebluste kalk), calciumhydroxide (gebluste kalk) en calciumcarbonaat en calciumwaterstofcarbonaat
- calcium; scheikundig element met atoomnummer 20. Het is een zilverwit aardalkalimetaal
- calcium
- atoomdeeltje van calcium.
- aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium 1, zoals calciumoxide (ook wel ongebluste kalk), calciumhydroxide (gebluste kalk) en calciumcarbonaat en calciumwaterstofcarbonaat
Hoe spreek je kalk uit?
/ˈkɑlək/
Kalk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als calque.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kalkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kalkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kalken
- gebiedende wijs van kalken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kalken
Vervoeging van kalk
kalkhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bouwmateriaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van kalk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kalkje | verkleinwoord | kalk |
| kalkjes | verkleinwoord meervoud | kalk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kalk zijn vastgelegd.