verkalken
werkwoordBetekenis
- tot kalk worden, een kalkafzetting krijgen
- ontoegankelijk worden voor iets nieuws, verstarren
Vervoeging van verkalken
verkalkenhele werkwoord — verkalkteverleden tijd enkelvoud — verkalktenverleden tijd meervoud — verkalktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verkalk | verkalkte |
| jij | verkalkt | verkalkte |
| hij, zij, het | verkalkt | verkalkte |
| wij | verkalken | verkalkten |
| jullie | verkalken | verkalkten |
| zij | verkalken | verkalkten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verkalkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verkalkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verkalkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verkalkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verkalkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verkalkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verkalkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verkalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkalkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verkalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verkalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verkalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verkalkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verkalken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verkalken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkalk | gebiedende wijs |
| verkalke | aanvoegende wijs |
| verkalkend | onvoltooid, deelwoord |
| verkalkt | verleden tijd, deelwoord |
| verkalkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkalkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkalkte | verleden tijd |
| zal verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verkalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verkalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verkalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verkalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verkalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verkalken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verkalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verkalken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verkalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van kalk met het voorvoegsel ver- met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verkalken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkalk | gebiedende wijs | verkalken |
| verkalke | aanvoegende wijs | verkalken |
| verkalkend | onvoltooid deelwoord | verkalken |
| verkalkende | woordvorm | verkalken |
| verkalkt | voltooid deelwoord | verkalken |
| verkalkte | verleden tijd | verkalken |
| verkalkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verkalken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkalken zijn vastgelegd.