jutten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- zich op de kust aangespoeld materiaal toeëigenen
Vervoeging van jutten
juttenhele werkwoord — jutteverleden tijd enkelvoud — gejutvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jut | jutte |
| jij | jut | jutte |
| hij, zij, het | jut | jutte |
| wij | jutten | — |
| jullie | jutten | — |
| zij | jutten | — |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gejut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gejut | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gejut | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gejut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gejut worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gejut zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gejut worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gejut zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gejut | verleden tijd, deelwoord |
| gejut te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejut zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jut | gebiedende wijs |
| jutte | verleden tijd |
| jutte | aanvoegende wijs |
| juttend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jutten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van jutten
Vervoeging van jutten
juttenhele werkwoord — jutteverleden tijd enkelvoud — gejutvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jut | jutte |
| jij | jut | jutte |
| hij, zij, het | jut | jutte |
| wij | jutten | — |
| jullie | jutten | — |
| zij | jutten | — |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gejut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gejut | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gejut | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gejut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gejut worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gejut zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gejut worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gejut zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gejut | verleden tijd, deelwoord |
| gejut te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejut zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jut | gebiedende wijs |
| jutte | verleden tijd |
| jutte | aanvoegende wijs |
| juttend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jutten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt jutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult jutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord jut
Herkomst
In de betekenis van ‘stranddieverij plegen’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van jutten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejut | voltooid deelwoord | jutten |
| gejutte | woordvorm | jutten |
| jutte | verleden tijd | jutten |
| juttend | onvoltooid deelwoord | jutten |
| juttende | woordvorm | jutten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jutten zijn vastgelegd.