Naar de inhoud

inzetten

iets van waarde aan het risico van het spel onderwerpen

inzetten is meer dan één woord

inzetten

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɪnzɛtə(n)

Betekenis

  1. iets van waarde aan het risico van het spel onderwerpen
  2. beschikbare hulpmiddelen voor een bepaald doel gebruiken
  3. iets in een kledingstuk vastmaken
  4. iets vastzetten in een sierraad
  5. zich ~ voor bereidheid tonen voor een bepaald doel moeite te doen
  6. een begin maken

Hoe spreek je inzetten uit?

/ˈɪnzɛtən/

Inzetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɪnzɛtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
n nek
z zon
ɛ bed
t tak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. iets vastzetten in een sieraad transitive

Vervoeging van inzetten

inzettenhele werkwoord — zette inverleden tijd enkelvoud — zetten inverleden tijd meervoud — ingezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet in zette in
jij zet in zette in
hij, zij, het zet in zette in
wij zetten in zetten in
jullie zetten in zetten in
zij zetten in zetten in
Alle 93 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is ingezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal zetten bijzin, toekomende tijd
in zou zetten bijzin, voorwaardelijk
in zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
in zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
in zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen zetten bijzin, toekomende tijd
in zult zetten bijzin, toekomende tijd
ingezet verleden tijd, deelwoord
ingezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inzet bijzin, tegenwoordige tijd
inzette bijzin, verleden tijd
inzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben ingezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inzetten bijzin, toekomende tijd
zal me inzetten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich inzetten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je inzetten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zet in gebiedende wijs
zet u/je in, zet je in gebiedende wijs
zette in verleden tijd
zich ingezet hebben verleden tijd
zich inzettend onvoltooid, deelwoord
zou ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inzetten in zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inzetten bijzin, toekomende tijd
zullen je inzetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons inzetten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zich inzetten derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult inzetten bijzin, toekomende tijd
zult u inzetten tweede persoon
zult u inzetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u inzetten tweede persoon
zult zich/u inzetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult/zal inzetten in zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van inzetten

Vervoeging van inzetten

inzettenhele werkwoord — zette inverleden tijd enkelvoud — zetten inverleden tijd meervoud — ingezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet in zette in
jij zet in zette in
hij, zij, het zet in zette in
wij zetten in zetten in
jullie zetten in zetten in
zij zetten in zetten in
Alle 93 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is ingezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal zetten bijzin, toekomende tijd
in zou zetten bijzin, voorwaardelijk
in zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
in zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
in zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen zetten bijzin, toekomende tijd
in zult zetten bijzin, toekomende tijd
ingezet verleden tijd, deelwoord
ingezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inzet bijzin, tegenwoordige tijd
inzette bijzin, verleden tijd
inzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben ingezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inzetten bijzin, toekomende tijd
zal me inzetten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich inzetten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je inzetten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zet in gebiedende wijs
zet u/je in, zet je in gebiedende wijs
zette in verleden tijd
zich ingezet hebben verleden tijd
zich inzettend onvoltooid, deelwoord
zou ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inzetten in zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inzetten bijzin, toekomende tijd
zullen je inzetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons inzetten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zich inzetten derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult ingezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult inzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult inzetten bijzin, toekomende tijd
zult u inzetten tweede persoon
zult u inzetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u inzetten tweede persoon
zult zich/u inzetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult/zal inzetten in zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord inzet

Herkomst

samenstelling van in bw en zetten ww

Woordfamilie van inzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
inzette subordinate-clause, verleden tijd inzetten
inzettend onvoltooid deelwoord inzetten
inzettende woordvorm inzetten
zet in gebiedende wijs inzetten
zette in verleden tijd inzetten
zetten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inzetten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over inzetten

Hoe spreek je inzetten uit?
De uitspraak van inzetten is: /ˈɪnzɛtə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent inzetten?
Inzetten is een werkwoord. Het woord betekent: iets van waarde aan het risico van het spel onderwerpen. Deze pagina beschrijft 7 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inzetten?
Je vervoegt inzetten als volgt: het voltooid deelwoord is ingezet. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inzetten is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. Z 4
  4. E 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inzetten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. Z 5
  4. E 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inzetten in het kort

inzetten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 7 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inzetten zijn 60 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inzetten bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inzetten: iets van waarde aan het risico van het spel onderwerpen
Deel inzetten — standaardnederlands.nl