Naar de inhoud

inzakken

door eigen gewicht indringen

inzakken

werkwoord

Betekenis

  1. door eigen gewicht indringen
  2. in elkaar storten
  3. (van koersen, prijzen, de markt) snel omlaag gaan
  4. hard achteruitgaan qua gezondheid

werkwoord

  1. snel omlaag gaan

Vervoeging van inzakken

inzakkenhele werkwoord — zakte inverleden tijd enkelvoud — zakten inverleden tijd meervoud — ingezaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zak in zakte in
jij zakt in zakte in
hij, zij, het zakt in zakte in
wij zakken in zakten in
jullie zakken in zakten in
zij zakken in zakten in
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben ingezakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingezakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
in te zakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen zakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal zakken bijzin, toekomende tijd
in zou zakken bijzin, voorwaardelijk
in zouden zakken bijzin, voorwaardelijk
in zoudt zakken bijzin, voorwaardelijk
in zullen zakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen zakken bijzin, toekomende tijd
in zult zakken bijzin, toekomende tijd
ingezakt verleden tijd, deelwoord
ingezakt te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingezakt zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inzak bijzin, tegenwoordige tijd
inzakkend onvoltooid, deelwoord
inzakt bijzin, tegenwoordige tijd
inzakte bijzin, verleden tijd
inzakten bijzin, verleden tijd
is ingezakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingezakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn ingezakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inzakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingezakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingezakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingezakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingezakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingezakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingezakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingezakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
zak in gebiedende wijs
zakte in verleden tijd
zal ingezakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingezakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingezakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inzakken bijzin, toekomende tijd
zijn ingezakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn ingezakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingezakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingezakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingezakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inzakken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inzakken in zou(dt) zakken bijzin, voorwaardelijk
zouden ingezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inzakken bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inzakken bijzin, voorwaardelijk
zullen ingezakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingezakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingezakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inzakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inzakken bijzin, toekomende tijd
zult ingezakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult inzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult inzakken bijzin, toekomende tijd
zult/zal inzakken in zult/zal zakken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in en zakken

Woordfamilie van inzakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
inzak subordinate-clause, tegenwoordige tijd inzakken
inzakke with-subordinate-clause inzakken
inzakkend onvoltooid deelwoord inzakken
inzakkende woordvorm inzakken
inzakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inzakken
inzakte subordinate-clause, verleden tijd inzakken
inzakten subordinate-clause, verleden tijd inzakken
zak in gebiedende wijs inzakken
zakke in woordvorm inzakken
zakken in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inzakken
zakt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inzakken
zakte in verleden tijd inzakken
zakten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inzakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inzakken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over inzakken

Wat betekent inzakken?
Inzakken is een werkwoord. Het woord betekent: door eigen gewicht indringen. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inzakken?
Je vervoegt inzakken als volgt: het voltooid deelwoord is ingezakt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inzakken is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. Z 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inzakken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. Z 5
  4. A 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inzakken in het kort

inzakken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inzakken zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inzakken bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inzakken: door eigen gewicht indringen
Deel inzakken — standaardnederlands.nl