inzakken
werkwoordBetekenis
- door eigen gewicht indringen
- in elkaar storten
- (van koersen, prijzen, de markt) snel omlaag gaan
- hard achteruitgaan qua gezondheid
werkwoord
- snel omlaag gaan
Vervoeging van inzakken
inzakkenhele werkwoord — zakte inverleden tijd enkelvoud — zakten inverleden tijd meervoud — ingezaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zak in | zakte in |
| jij | zakt in | zakte in |
| hij, zij, het | zakt in | zakte in |
| wij | zakken in | zakten in |
| jullie | zakken in | zakten in |
| zij | zakken in | zakten in |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ingezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| in te zakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen zakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal zakken | bijzin, toekomende tijd |
| in zou zakken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden zakken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt zakken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen zakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen zakken | bijzin, toekomende tijd |
| in zult zakken | bijzin, toekomende tijd |
| ingezakt | verleden tijd, deelwoord |
| ingezakt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingezakt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inzak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inzakkend | onvoltooid, deelwoord |
| inzakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inzakte | bijzin, verleden tijd |
| inzakten | bijzin, verleden tijd |
| is ingezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn ingezakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inzakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingezakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingezakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingezakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingezakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingezakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingezakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingezakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zak in | gebiedende wijs |
| zakte in | verleden tijd |
| zal ingezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inzakken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingezakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ingezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inzakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inzakken in zou(dt) zakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inzakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inzakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inzakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inzakken | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inzakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inzakken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal inzakken in zult/zal zakken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in en zakken
Woordfamilie van inzakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inzak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inzakken |
| inzakke | with-subordinate-clause | inzakken |
| inzakkend | onvoltooid deelwoord | inzakken |
| inzakkende | woordvorm | inzakken |
| inzakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inzakken |
| inzakte | subordinate-clause, verleden tijd | inzakken |
| inzakten | subordinate-clause, verleden tijd | inzakken |
| zak in | gebiedende wijs | inzakken |
| zakke in | woordvorm | inzakken |
| zakken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inzakken |
| zakt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inzakken |
| zakte in | verleden tijd | inzakken |
| zakten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inzakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inzakken zijn vastgelegd.