verzakken
werkwoordBetekenis
- dalen van constructie of bodem
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van verzakken
verzakkenhele werkwoord — verzakteverleden tijd enkelvoud — verzaktenverleden tijd meervoud — verzaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzak | verzakte |
| jij | verzakt | verzakte |
| hij, zij, het | verzakt | verzakte |
| wij | verzakken | verzakten |
| jullie | verzakken | verzakten |
| zij | verzakken | verzakten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verzakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verzakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verzakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verzakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verzakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzak | gebiedende wijs |
| verzakke | aanvoegende wijs |
| verzakkend | onvoltooid, deelwoord |
| verzakt | verleden tijd, deelwoord |
| verzakt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzakt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzakte | verleden tijd |
| waart verzakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verzakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verzakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verzakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verzakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verzakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verzakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verzakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verzakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verzakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verzakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verzakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van zakken met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verzakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzak | gebiedende wijs | verzakken |
| verzakke | aanvoegende wijs | verzakken |
| verzakkend | onvoltooid deelwoord | verzakken |
| verzakkende | woordvorm | verzakken |
| verzakt | voltooid deelwoord | verzakken |
| verzakte | verleden tijd | verzakken |
| verzakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verzakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzakken zijn vastgelegd.