Naar de inhoud

instorten

zwichten voor de zwaartekracht

instorten

werkwoord

Betekenis

  1. zwichten voor de zwaartekracht

werkwoord

  1. zwichten voor ander geweld ergative, figuratively
  2. emotioneel helemaal van slag raken figuratively

Vervoeging van instorten

instortenhele werkwoord — stortte inverleden tijd enkelvoud — stortten inverleden tijd meervoud — ingestortvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stort in stortte in
jij stort in stortte in
hij, zij, het stort in stortte in
wij storten in stortten in
jullie storten in stortten in
zij storten in stortten in
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben ingestort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingestort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
in te storten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen storten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal storten bijzin, toekomende tijd
in zou storten bijzin, voorwaardelijk
in zouden storten bijzin, voorwaardelijk
in zoudt storten bijzin, voorwaardelijk
in zullen storten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen storten bijzin, toekomende tijd
in zult storten bijzin, toekomende tijd
ingestort verleden tijd, deelwoord
ingestort te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingestort zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
instort bijzin, tegenwoordige tijd
instortend onvoltooid, deelwoord
instortte bijzin, verleden tijd
instortten bijzin, verleden tijd
is ingestort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingestort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stort in gebiedende wijs
stortte in verleden tijd
te zijn ingestort actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen instorten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingestort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingestort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingestort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingestort voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingestort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingestort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingestort voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal ingestort zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingestort zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingestort zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal instorten bijzin, toekomende tijd
zijn ingestort actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn ingestort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingestort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingestort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingestort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingestort zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingestort zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingestort zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou instorten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) instorten in zou(dt) storten bijzin, voorwaardelijk
zouden ingestort zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingestort zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingestort zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden instorten bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingestort zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt instorten bijzin, voorwaardelijk
zullen ingestort zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingestort zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingestort zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen instorten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen instorten bijzin, toekomende tijd
zult ingestort zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult instorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult instorten bijzin, toekomende tijd
zult/zal instorten in zult/zal storten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en storten ww

Woordfamilie van instorten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
instort subordinate-clause, tegenwoordige tijd instorten
instorte with-subordinate-clause instorten
instortend onvoltooid deelwoord instorten
instortte subordinate-clause, verleden tijd instorten
instortten subordinate-clause, verleden tijd instorten
stort in gebiedende wijs instorten
storte in woordvorm instorten
storten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon instorten
stortte in verleden tijd instorten
stortten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon instorten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van instorten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over instorten

Wat betekent instorten?
Instorten is een werkwoord. Het woord betekent: zwichten voor de zwaartekracht. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je instorten?
Je vervoegt instorten als volgt: het voltooid deelwoord is ingestort. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord instorten is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. O 1
  6. R 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

instorten levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. O 1
  6. R 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (I) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

instorten in het kort

instorten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van instorten zijn 44 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort instorten bij een woordfamilie van 10 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

instorten: zwichten voor de zwaartekracht
Deel instorten — standaardnederlands.nl