inwijken
werkwoordBetekenis
- immigreren
Vervoeging van inwijken
inwijkenhele werkwoord — week inverleden tijd enkelvoud — weken inverleden tijd meervoud — ingewekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wijk in | week in |
| jij | wijkt in | week in |
| hij, zij, het | wijkt in | week in |
| wij | wijken in | weken in |
| jullie | wijken in | weken in |
| zij | wijken in | weken in |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ingeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| in te wijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen wijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal wijken | bijzin, toekomende tijd |
| in zou wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen wijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen wijken | bijzin, toekomende tijd |
| in zult wijken | bijzin, toekomende tijd |
| ingeweken | verleden tijd, deelwoord |
| ingeweken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeweken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inweek | bijzin, verleden tijd |
| inweken | bijzin, verleden tijd |
| inwijk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inwijkend | onvoltooid, deelwoord |
| inwijkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| is ingeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn ingeweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inwijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingeweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingeweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| week in | verleden tijd |
| wijk in | gebiedende wijs |
| zal ingeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inwijken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingeweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ingeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inwijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inwijken in zou(dt) wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inwijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inwijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inwijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inwijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inwijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal inwijken in zult/zal wijken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in en wijken
Woordfamilie van inwijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inwijk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inwijken |
| inwijke | with-subordinate-clause | inwijken |
| inwijkend | onvoltooid deelwoord | inwijken |
| inwijkende | woordvorm | inwijken |
| inwijkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inwijken |
| wijk in | gebiedende wijs | inwijken |
| wijke in | woordvorm | inwijken |
| wijken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inwijken |
| wijkt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inwijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inwijken zijn vastgelegd.