Naar de inhoud

inweken

in een vloeistof liggen om week te worden

inweken

werkwoord

Betekenis

  1. in een vloeistof liggen om week te worden
  2. in een vloeistof leggen om het week te maken

Vervoeging van inweken

inwekenhele werkwoord — weekte inverleden tijd enkelvoud — weekten inverleden tijd meervoud — ingeweektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik week in weekte in
jij weekt in weekte in
hij, zij, het weekt in weekte in
wij weken in weekten in
jullie weken in weekten in
zij weken in weekten in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingeweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingeweekt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingeweekt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingeweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingeweekt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingeweekt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingeweekt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingeweekt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te weken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal weken bijzin, toekomende tijd
in zou weken bijzin, voorwaardelijk
in zouden weken bijzin, voorwaardelijk
in zoudt weken bijzin, voorwaardelijk
in zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen weken bijzin, toekomende tijd
in zult weken bijzin, toekomende tijd
ingeweekt verleden tijd, deelwoord
ingeweekt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeweekt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeweekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeweekt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeweekt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeweekt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeweekt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeweekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeweekt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeweekt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inweek bijzin, tegenwoordige tijd
inweekt bijzin, tegenwoordige tijd
inweekte bijzin, verleden tijd
inweekten bijzin, verleden tijd
inwekend onvoltooid, deelwoord
is ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben ingeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
week in gebiedende wijs
weekte in verleden tijd
werd ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inweken bijzin, toekomende tijd
zijn ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inweken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inweken in zou(dt) weken bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inweken bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inweken bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inweken bijzin, toekomende tijd
zult ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van inwijken

Vervoeging van inweken

inwekenhele werkwoord — weekte inverleden tijd enkelvoud — weekten inverleden tijd meervoud — ingeweektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik week in weekte in
jij weekt in weekte in
hij, zij, het weekt in weekte in
wij weken in weekten in
jullie weken in weekten in
zij weken in weekten in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingeweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingeweekt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingeweekt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingeweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingeweekt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingeweekt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingeweekt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingeweekt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te weken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal weken bijzin, toekomende tijd
in zou weken bijzin, voorwaardelijk
in zouden weken bijzin, voorwaardelijk
in zoudt weken bijzin, voorwaardelijk
in zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen weken bijzin, toekomende tijd
in zult weken bijzin, toekomende tijd
ingeweekt verleden tijd, deelwoord
ingeweekt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeweekt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeweekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeweekt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeweekt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeweekt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeweekt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeweekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeweekt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeweekt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inweek bijzin, tegenwoordige tijd
inweekt bijzin, tegenwoordige tijd
inweekte bijzin, verleden tijd
inweekten bijzin, verleden tijd
inwekend onvoltooid, deelwoord
is ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben ingeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
week in gebiedende wijs
weekte in verleden tijd
werd ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inweken bijzin, toekomende tijd
zijn ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inweken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inweken in zou(dt) weken bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inweken bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inweken bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inweken bijzin, toekomende tijd
zult ingeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van in bw en weken ww

Woordfamilie van inweken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingeweekt voltooid deelwoord inweken
ingeweekte woordvorm inweken
inweekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inweken
inweekte subordinate-clause, verleden tijd inweken
inweekten subordinate-clause, verleden tijd inweken
inweke with-subordinate-clause inweken
inwekend onvoltooid deelwoord inweken
inwekende woordvorm inweken
weekt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inweken
weekte in verleden tijd inweken
weekten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inweken
weke in woordvorm inweken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inweken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over inweken

Wat betekent inweken?
Inweken is een werkwoord. Het woord betekent: in een vloeistof liggen om week te worden. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inweken?
Je vervoegt inweken als volgt: het voltooid deelwoord is ingeweekt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inweken is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. W 5
  4. E 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inweken levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 112 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. W 5
  4. E 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 112 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

inweken telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

inweken in het kort

inweken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inweken zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inweken bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inweken: in een vloeistof liggen om week te worden
Deel inweken — standaardnederlands.nl