Naar de inhoud

invechten

zich ~: met moeite ergens binnen proberen te komen

invechten

werkwoord

Betekenis

  1. zich ~: met moeite ergens binnen proberen te komen

Vervoeging van invechten

invechtenhele werkwoord — vocht inverleden tijd enkelvoud — vochten inverleden tijd meervoud — ingevochtenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vecht in vocht in
jij vecht in vocht in
hij, zij, het vecht in vocht in
wij vechten in vochten in
jullie vechten in vochten in
zij vechten in vochten in
Alle 86 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ingevochten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingevochten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingevochten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingevochten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingevochten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingevochten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingevochten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingevochten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingevochten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingevochten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingevochten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingevochten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingevochten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingevochten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingevochten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te vechten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen vechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal vechten bijzin, toekomende tijd
in zou vechten bijzin, voorwaardelijk
in zouden vechten bijzin, voorwaardelijk
in zoudt vechten bijzin, voorwaardelijk
in zullen vechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen vechten bijzin, toekomende tijd
in zult vechten bijzin, toekomende tijd
ingevochten verleden tijd, deelwoord
ingevochten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingevochten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
invecht bijzin, tegenwoordige tijd
invechtend onvoltooid, deelwoord
invocht bijzin, verleden tijd
invochten bijzin, verleden tijd
te hebben ingevochten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen invechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vecht in gebiedende wijs
vecht u/je in, vecht je in gebiedende wijs
vocht in verleden tijd
zal ingevochten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingevochten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingevochten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal invechten bijzin, toekomende tijd
zal me invechten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich invechten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je invechten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich ingevochten hebben verleden tijd
zich invechtend onvoltooid, deelwoord
zou ingevochten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingevochten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingevochten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou invechten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) invechten in zou(dt) vechten bijzin, voorwaardelijk
zouden ingevochten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingevochten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingevochten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden invechten bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingevochten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt invechten bijzin, voorwaardelijk
zullen ingevochten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingevochten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingevochten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen invechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen invechten bijzin, toekomende tijd
zullen je invechten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons invechten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zich invechten derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult ingevochten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult invechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult invechten bijzin, toekomende tijd
zult u invechten tweede persoon
zult u invechten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u invechten tweede persoon
zult zich/u invechten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult/zal invechten in zult/zal vechten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in en vechten

Woordfamilie van invechten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingevochten voltooid deelwoord invechten
invecht subordinate-clause, tegenwoordige tijd invechten
invechte with-subordinate-clause invechten
invechtend onvoltooid deelwoord invechten
invechtende woordvorm invechten
vecht in gebiedende wijs invechten
vechte in woordvorm invechten
vechten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon invechten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van invechten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over invechten

Wat is de betekenis van invechten?
Invechten is een werkwoord. De betekenis is: zich ~: met moeite ergens binnen proberen te komen.
Hoe vervoeg ik invechten?
Zo vervoeg je invechten zo: het voltooid deelwoord is ingevochten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord invechten is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. V 4
  4. E 1
  5. C 5
  6. H 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

invechten levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. V 4
  4. E 1
  5. C 5
  6. H 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

invechten in het kort

invechten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van invechten staan er 54 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort invechten bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

invechten: zich ~: met moeite ergens binnen proberen te komen
Deel invechten — standaardnederlands.nl