interpelleren
werkwoordBetekenis
- om opheldering of inlichtingen vragen
Vervoeging van interpelleren
interpellerenhele werkwoord — interpelleerdeverleden tijd enkelvoud — interpelleerdenverleden tijd meervoud — geïnterpelleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | interpelleer | interpelleerde |
| jij | interpelleert | interpelleerde |
| hij, zij, het | interpelleert | interpelleerde |
| wij | interpelleren | interpelleerden |
| jullie | interpelleren | interpelleerden |
| zij | interpelleren | interpelleerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïnterpelleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnterpelleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnterpelleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnterpelleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnterpelleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnterpelleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnterpelleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnterpelleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnterpelleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnterpelleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnterpelleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnterpelleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnterpelleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnterpelleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnterpelleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnterpelleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnterpelleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnterpelleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnterpelleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnterpelleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| interpelleer | gebiedende wijs |
| interpelleerde | verleden tijd |
| interpellere | aanvoegende wijs |
| interpellerend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïnterpelleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te interpelleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen interpelleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïnterpelleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïnterpelleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïnterpelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnterpelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnterpelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïnterpelleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnterpelleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïnterpelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïnterpelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnterpelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnterpelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnterpelleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnterpelleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnterpelleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnterpelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnterpelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnterpelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnterpelleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnterpelleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnterpelleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnterpelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnterpelleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnterpelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnterpelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnterpelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnterpelleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnterpelleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnterpelleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen interpelleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnterpelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnterpelleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnterpelleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult interpelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘om inlichting vragen’ voor het eerst aangetroffen in 1592
Woordfamilie van interpelleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnterpelleerd | voltooid deelwoord | interpelleren |
| geïnterpelleerde | woordvorm | interpelleren |
| interpelleer | gebiedende wijs | interpelleren |
| interpelleerde | verleden tijd | interpelleren |
| interpelleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | interpelleren |
| interpelleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | interpelleren |
| interpellere | aanvoegende wijs | interpelleren |
| interpellerend | onvoltooid deelwoord | interpelleren |
| interpellerende | woordvorm | interpelleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van interpelleren zijn vastgelegd.