insteken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een scherp voorwerp inbrengen
- ingebracht zitten
werkwoord
- investeren
Vervoeging van insteken
instekenhele werkwoord — stak inverleden tijd enkelvoud — staken inverleden tijd meervoud — ingestokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steek in | stak in |
| jij | steekt in | staakt in |
| hij, zij, het | steekt in | stak in |
| wij | steken in | staken in |
| jullie | steken in | staken in |
| zij | steken in | staken in |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is ingestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingestoken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingestoken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingestoken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingestoken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingestoken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingestoken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te steken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal steken | bijzin, toekomende tijd |
| in zou steken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden steken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt steken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen steken | bijzin, toekomende tijd |
| in zult steken | bijzin, toekomende tijd |
| ingestoken | verleden tijd, deelwoord |
| ingestoken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingestoken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| instaakt | bijzin, verleden tijd |
| instak | bijzin, verleden tijd |
| instaken | bijzin, verleden tijd |
| insteek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| insteekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| instekend | onvoltooid, deelwoord |
| stak in | verleden tijd |
| steek in | gebiedende wijs |
| te hebben ingestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen insteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ingestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal insteken | bijzin, toekomende tijd |
| zou ingestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou insteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) insteken in zou(dt) steken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden insteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt insteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen insteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen insteken | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult insteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult insteken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal insteken in zult/zal steken | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord insteek
Herkomst
samenstelling van in en steken
Woordfamilie van insteken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingestoken | voltooid deelwoord | insteken |
| instak | subordinate-clause, verleden tijd | insteken |
| instaken | subordinate-clause, verleden tijd | insteken |
| insteekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | insteken |
| insteke | with-subordinate-clause | insteken |
| instekend | onvoltooid deelwoord | insteken |
| instekende | woordvorm | insteken |
| stak in | verleden tijd | insteken |
| staken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | insteken |
| steek in | gebiedende wijs | insteken |
| steekt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | insteken |
| steke in | woordvorm | insteken |
| steken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | insteken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van insteken zijn vastgelegd.