insneeuwen
werkwoordBetekenis
- van sneeuw binnendringen in de woning
- door sneeuw van de buitenwereld afgesneden raken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van insneeuwen
insneeuwenhele werkwoord — sneeuwde inverleden tijd enkelvoud — sneeuwden inverleden tijd meervoud — hebben ingesneeuwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sneeuw in | sneeuwde in |
| jij | sneeuwt in | sneeuwde in |
| hij, zij, het | sneeuwt in | sneeuwde in |
| wij | sneeuwen in | sneeuwden in |
| jullie | sneeuwen in | sneeuwden in |
| zij | sneeuwen in | sneeuwden in |
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingesneeuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingesneeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingesneeuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingesneeuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingesneeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingesneeuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingesneeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingesneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingesneeuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingesneeuwd | verleden tijd, deelwoord |
| hebben ingesneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingesneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingesneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingesneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingesneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingesneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te sneeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen sneeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal sneeuwen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou sneeuwen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden sneeuwen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt sneeuwen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen sneeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen sneeuwen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult sneeuwen | bijzin, toekomende tijd |
| ingesneeuwd | verleden tijd, deelwoord |
| ingesneeuwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingesneeuwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| insneeuw | bijzin, tegenwoordige tijd |
| insneeuwde | bijzin, verleden tijd |
| insneeuwden | bijzin, verleden tijd |
| insneeuwend | onvoltooid, deelwoord |
| insneeuwt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| sneeuw in | gebiedende wijs |
| sneeuwde in | verleden tijd |
| sneeuwt in | tegenwoordige tijd |
| te hebben ingesneeuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen insneeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ingesneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingesneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingesneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal insneeuwen | toekomende tijd |
| zal insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal insneeuwen | bijzin, toekomende tijd |
| zou ingesneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingesneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingesneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou insneeuwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) insneeuwen in zou(dt) sneeuwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingesneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingesneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingesneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden insneeuwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingesneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt insneeuwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingesneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingesneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingesneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen insneeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen insneeuwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingesneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult insneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult insneeuwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal insneeuwen in zult/zal sneeuwen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en sneeuwen ww
Woordfamilie van insneeuwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingesneeuwd | voltooid deelwoord | insneeuwen |
| ingesneeuwde | woordvorm | insneeuwen |
| insneeuw | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | insneeuwen |
| insneeuwde | subordinate-clause, verleden tijd | insneeuwen |
| insneeuwden | subordinate-clause, verleden tijd | insneeuwen |
| insneeuwe | with-subordinate-clause | insneeuwen |
| insneeuwend | onvoltooid deelwoord | insneeuwen |
| insneeuwende | woordvorm | insneeuwen |
| insneeuwt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | insneeuwen |
| sneeuw in | gebiedende wijs | insneeuwen |
| sneeuwde in | verleden tijd | insneeuwen |
| sneeuwden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | insneeuwen |
| sneeuwe in | woordvorm | insneeuwen |
| sneeuwen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | insneeuwen |
| sneeuwt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | insneeuwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van insneeuwen zijn vastgelegd.