Naar de inhoud

insneeuwen

van sneeuw binnendringen in de woning

insneeuwen

werkwoord

Betekenis

  1. van sneeuw binnendringen in de woning
  2. door sneeuw van de buitenwereld afgesneden raken
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van insneeuwen

insneeuwenhele werkwoord — sneeuwde inverleden tijd enkelvoud — sneeuwden inverleden tijd meervoud — hebben ingesneeuwdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sneeuw in sneeuwde in
jij sneeuwt in sneeuwde in
hij, zij, het sneeuwt in sneeuwde in
wij sneeuwen in sneeuwden in
jullie sneeuwen in sneeuwden in
zij sneeuwen in sneeuwden in
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ingesneeuwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingesneeuwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingesneeuwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingesneeuwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingesneeuwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingesneeuwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingesneeuwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingesneeuwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingesneeuwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingesneeuwd verleden tijd, deelwoord
hebben ingesneeuwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingesneeuwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingesneeuwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingesneeuwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingesneeuwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingesneeuwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te sneeuwen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen sneeuwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal sneeuwen bijzin, toekomende tijd
in zou sneeuwen bijzin, voorwaardelijk
in zouden sneeuwen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt sneeuwen bijzin, voorwaardelijk
in zullen sneeuwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen sneeuwen bijzin, toekomende tijd
in zult sneeuwen bijzin, toekomende tijd
ingesneeuwd verleden tijd, deelwoord
ingesneeuwd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingesneeuwd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
insneeuw bijzin, tegenwoordige tijd
insneeuwde bijzin, verleden tijd
insneeuwden bijzin, verleden tijd
insneeuwend onvoltooid, deelwoord
insneeuwt bijzin, tegenwoordige tijd
sneeuw in gebiedende wijs
sneeuwde in verleden tijd
sneeuwt in tegenwoordige tijd
te hebben ingesneeuwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen insneeuwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal ingesneeuwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingesneeuwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingesneeuwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal insneeuwen toekomende tijd
zal insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal insneeuwen bijzin, toekomende tijd
zou ingesneeuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingesneeuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingesneeuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou insneeuwen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) insneeuwen in zou(dt) sneeuwen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingesneeuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingesneeuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingesneeuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden insneeuwen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingesneeuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt insneeuwen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingesneeuwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingesneeuwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingesneeuwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen insneeuwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen insneeuwen bijzin, toekomende tijd
zult ingesneeuwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult insneeuwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult insneeuwen bijzin, toekomende tijd
zult/zal insneeuwen in zult/zal sneeuwen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en sneeuwen ww

Woordfamilie van insneeuwen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingesneeuwd voltooid deelwoord insneeuwen
ingesneeuwde woordvorm insneeuwen
insneeuw subordinate-clause, tegenwoordige tijd insneeuwen
insneeuwde subordinate-clause, verleden tijd insneeuwen
insneeuwden subordinate-clause, verleden tijd insneeuwen
insneeuwe with-subordinate-clause insneeuwen
insneeuwend onvoltooid deelwoord insneeuwen
insneeuwende woordvorm insneeuwen
insneeuwt subordinate-clause, tegenwoordige tijd insneeuwen
sneeuw in gebiedende wijs insneeuwen
sneeuwde in verleden tijd insneeuwen
sneeuwden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon insneeuwen
sneeuwe in woordvorm insneeuwen
sneeuwen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon insneeuwen
sneeuwt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon insneeuwen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van insneeuwen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over insneeuwen

Wat betekent insneeuwen?
Insneeuwen is een werkwoord. Het woord betekent: van sneeuw binnendringen in de woning. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je insneeuwen?
Je vervoegt insneeuwen als volgt: het voltooid deelwoord is hebben ingesneeuwd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord insneeuwen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. N 1
  5. E 1
  6. E 1
  7. U 4
  8. W 5
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

insneeuwen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. N 1
  5. E 1
  6. E 1
  7. U 2
  8. W 5
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

insneeuwen in het kort

insneeuwen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van insneeuwen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort insneeuwen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

insneeuwen: van sneeuw binnendringen in de woning
Deel insneeuwen — standaardnederlands.nl