Naar de inhoud

insluipen

sluipend naar binnen gaan of komen

insluipen

werkwoord

Betekenis

  1. sluipend naar binnen gaan of komen
  2. ongemerkt ontstaan

Vervoeging van insluipen

insluipenhele werkwoord — sloop inverleden tijd enkelvoud — slopen inverleden tijd meervoud — ingeslopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sluip in sloop in
jij sluipt in sloop in
hij, zij, het sluipt in sloop in
wij sluipen in slopen in
jullie sluipen in slopen in
zij sluipen in slopen in
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben ingeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
in te sluipen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen sluipen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal sluipen bijzin, toekomende tijd
in zou sluipen bijzin, voorwaardelijk
in zouden sluipen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt sluipen bijzin, voorwaardelijk
in zullen sluipen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen sluipen bijzin, toekomende tijd
in zult sluipen bijzin, toekomende tijd
ingeslopen verleden tijd, deelwoord
ingeslopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeslopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
insloop bijzin, verleden tijd
inslopen bijzin, verleden tijd
insluip bijzin, tegenwoordige tijd
insluipend onvoltooid, deelwoord
insluipt bijzin, tegenwoordige tijd
is ingeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sloop in verleden tijd
sluip in gebiedende wijs
te zijn ingeslopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen insluipen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingeslopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeslopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingeslopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeslopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingeslopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingeslopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingeslopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal ingeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal insluipen bijzin, toekomende tijd
zijn ingeslopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn ingeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou insluipen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) insluipen in zou(dt) sluipen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden insluipen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt insluipen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen insluipen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen insluipen bijzin, toekomende tijd
zult ingeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult insluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult insluipen bijzin, toekomende tijd
zult/zal insluipen in zult/zal sluipen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in en sluipen

Woordfamilie van insluipen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingeslopen voltooid deelwoord insluipen
insloop subordinate-clause, verleden tijd insluipen
inslopen subordinate-clause, verleden tijd insluipen
insluip subordinate-clause, tegenwoordige tijd insluipen
insluipe with-subordinate-clause insluipen
insluipend onvoltooid deelwoord insluipen
insluipende woordvorm insluipen
insluipt subordinate-clause, tegenwoordige tijd insluipen
sloop in verleden tijd insluipen
slopen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon insluipen
sluip in gebiedende wijs insluipen
sluipe in woordvorm insluipen
sluipen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon insluipen
sluipt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon insluipen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van insluipen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over insluipen

Wat is de betekenis van insluipen?
Insluipen is een werkwoord. De betekenis is: sluipend naar binnen gaan of komen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik insluipen?
Zo vervoeg je insluipen zo: het voltooid deelwoord is ingeslopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord insluipen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. L 3
  5. U 4
  6. I 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

insluipen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. L 3
  5. U 2
  6. I 2
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

insluipen in het kort

insluipen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van insluipen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort insluipen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

insluipen: sluipend naar binnen gaan of komen
Deel insluipen — standaardnederlands.nl