insluipen
werkwoordBetekenis
- sluipend naar binnen gaan of komen
- ongemerkt ontstaan
Vervoeging van insluipen
insluipenhele werkwoord — sloop inverleden tijd enkelvoud — slopen inverleden tijd meervoud — ingeslopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sluip in | sloop in |
| jij | sluipt in | sloop in |
| hij, zij, het | sluipt in | sloop in |
| wij | sluipen in | slopen in |
| jullie | sluipen in | slopen in |
| zij | sluipen in | slopen in |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ingeslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingeslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| in te sluipen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen sluipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal sluipen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou sluipen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden sluipen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt sluipen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen sluipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen sluipen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult sluipen | bijzin, toekomende tijd |
| ingeslopen | verleden tijd, deelwoord |
| ingeslopen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeslopen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| insloop | bijzin, verleden tijd |
| inslopen | bijzin, verleden tijd |
| insluip | bijzin, tegenwoordige tijd |
| insluipend | onvoltooid, deelwoord |
| insluipt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| is ingeslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingeslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sloop in | verleden tijd |
| sluip in | gebiedende wijs |
| te zijn ingeslopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen insluipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingeslopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeslopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingeslopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeslopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingeslopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingeslopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingeslopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ingeslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal insluipen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingeslopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ingeslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingeslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingeslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingeslopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingeslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou insluipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) insluipen in zou(dt) sluipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden insluipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeslopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt insluipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingeslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen insluipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen insluipen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingeslopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult insluipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult insluipen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal insluipen in zult/zal sluipen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in en sluipen
Woordfamilie van insluipen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingeslopen | voltooid deelwoord | insluipen |
| insloop | subordinate-clause, verleden tijd | insluipen |
| inslopen | subordinate-clause, verleden tijd | insluipen |
| insluip | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | insluipen |
| insluipe | with-subordinate-clause | insluipen |
| insluipend | onvoltooid deelwoord | insluipen |
| insluipende | woordvorm | insluipen |
| insluipt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | insluipen |
| sloop in | verleden tijd | insluipen |
| slopen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | insluipen |
| sluip in | gebiedende wijs | insluipen |
| sluipe in | woordvorm | insluipen |
| sluipen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | insluipen |
| sluipt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | insluipen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van insluipen zijn vastgelegd.