insluiper
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een 'inbreker' die niets heeft hoeven te beschadigen om een pand binnen te komen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| insluipers | meervoud |
| insluipertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| insluipertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van insluipen met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van insluiper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| insluipers | meervoud | insluiper |
| insluipertje | verkleinwoord | insluiper |
| insluipertjes | verkleinwoord meervoud | insluiper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van insluiper zijn vastgelegd.