Naar de inhoud

inruimen

(schoonmaken door) plaatsen in

inruimen

werkwoord

Betekenis

  1. (schoonmaken door) plaatsen in
  2. vrij maken voor iets of iemand

werkwoord

  1. plaatsen in transitive

Vervoeging van inruimen

inruimenhele werkwoord — ruimde inverleden tijd enkelvoud — ruimden inverleden tijd meervoud — ingeruimdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ruim in ruimde in
jij ruimt in ruimde in
hij, zij, het ruimt in ruimde in
wij ruimen in ruimden in
jullie ruimen in ruimden in
zij ruimen in ruimden in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingeruimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingeruimd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingeruimd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingeruimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingeruimd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingeruimd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingeruimd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingeruimd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingeruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingeruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingeruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingeruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te ruimen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen ruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal ruimen bijzin, toekomende tijd
in zou ruimen bijzin, voorwaardelijk
in zouden ruimen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt ruimen bijzin, voorwaardelijk
in zullen ruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen ruimen bijzin, toekomende tijd
in zult ruimen bijzin, toekomende tijd
ingeruimd verleden tijd, deelwoord
ingeruimd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeruimd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeruimd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeruimd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeruimd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeruimd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeruimd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeruimd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeruimd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeruimd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inruim bijzin, tegenwoordige tijd
inruimde bijzin, verleden tijd
inruimden bijzin, verleden tijd
inruimend onvoltooid, deelwoord
inruimt bijzin, tegenwoordige tijd
is ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ruim in gebiedende wijs
ruimde in verleden tijd
te hebben ingeruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingeruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingeruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingeruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingeruimd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeruimd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inruimen bijzin, toekomende tijd
zijn ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inruimen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inruimen in zou(dt) ruimen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inruimen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inruimen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingeruimd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeruimd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeruimd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeruimd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inruimen bijzin, toekomende tijd
zult ingeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van in en ruimen

Woordfamilie van inruimen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingeruimd voltooid deelwoord inruimen
ingeruimde woordvorm inruimen
inruim subordinate-clause, tegenwoordige tijd inruimen
inruimde subordinate-clause, verleden tijd inruimen
inruimden subordinate-clause, verleden tijd inruimen
inruime with-subordinate-clause inruimen
inruimend onvoltooid deelwoord inruimen
inruimende woordvorm inruimen
inruimt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inruimen
ruim in gebiedende wijs inruimen
ruimde in verleden tijd inruimen
ruimden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inruimen
ruime in woordvorm inruimen
ruimen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inruimen
ruimt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inruimen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inruimen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over inruimen

Wat betekent inruimen?
Inruimen is een werkwoord. Het woord betekent: (schoonmaken door) plaatsen in. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inruimen?
Je vervoegt inruimen als volgt: het voltooid deelwoord is ingeruimd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inruimen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. R 2
  4. U 4
  5. I 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inruimen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. R 2
  4. U 2
  5. I 2
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inruimen in het kort

inruimen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inruimen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inruimen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inruimen: (schoonmaken door) plaatsen in
Deel inruimen — standaardnederlands.nl