inruimen
werkwoordBetekenis
- (schoonmaken door) plaatsen in
- vrij maken voor iets of iemand
werkwoord
- plaatsen in transitive
Vervoeging van inruimen
inruimenhele werkwoord — ruimde inverleden tijd enkelvoud — ruimden inverleden tijd meervoud — ingeruimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ruim in | ruimde in |
| jij | ruimt in | ruimde in |
| hij, zij, het | ruimt in | ruimde in |
| wij | ruimen in | ruimden in |
| jullie | ruimen in | ruimden in |
| zij | ruimen in | ruimden in |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingeruimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingeruimd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingeruimd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingeruimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingeruimd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingeruimd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingeruimd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingeruimd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingeruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingeruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingeruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingeruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingeruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingeruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingeruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeruimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te ruimen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen ruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal ruimen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou ruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden ruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt ruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen ruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen ruimen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult ruimen | bijzin, toekomende tijd |
| ingeruimd | verleden tijd, deelwoord |
| ingeruimd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeruimd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeruimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeruimd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeruimd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeruimd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeruimd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeruimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeruimd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeruimd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inruim | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inruimde | bijzin, verleden tijd |
| inruimden | bijzin, verleden tijd |
| inruimend | onvoltooid, deelwoord |
| inruimt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| is ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ruim in | gebiedende wijs |
| ruimde in | verleden tijd |
| te hebben ingeruimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingeruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingeruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingeruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingeruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingeruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingeruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingeruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inruimen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inruimen in zou(dt) ruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingeruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inruimen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van in en ruimen
Woordfamilie van inruimen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingeruimd | voltooid deelwoord | inruimen |
| ingeruimde | woordvorm | inruimen |
| inruim | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inruimen |
| inruimde | subordinate-clause, verleden tijd | inruimen |
| inruimden | subordinate-clause, verleden tijd | inruimen |
| inruime | with-subordinate-clause | inruimen |
| inruimend | onvoltooid deelwoord | inruimen |
| inruimende | woordvorm | inruimen |
| inruimt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inruimen |
| ruim in | gebiedende wijs | inruimen |
| ruimde in | verleden tijd | inruimen |
| ruimden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inruimen |
| ruime in | woordvorm | inruimen |
| ruimen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inruimen |
| ruimt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inruimen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inruimen zijn vastgelegd.