Naar de inhoud

inroosteren

in het rooster zetten

inroosteren

werkwoord /ˈɪnrostərən/

Betekenis

  1. in het rooster zetten

Hoe spreek je inroosteren uit?

/ˈɪnrostərən/

Inroosteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɪnrostərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
n nek
r rood
o boot
s sok
t tak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van inroosteren

inroosterenhele werkwoord — roosterde inverleden tijd enkelvoud — roosterden inverleden tijd meervoud — ingeroosterdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rooster in roosterde in
jij roostert in roosterde in
hij, zij, het roostert in roosterde in
wij roosteren in roosterden in
jullie roosteren in roosterden in
zij roosteren in roosterden in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingeroosterd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingeroosterd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingeroosterd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingeroosterd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingeroosterd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingeroosterd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingeroosterd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingeroosterd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingeroosterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingeroosterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingeroosterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingeroosterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingeroosterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingeroosterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingeroosterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeroosterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te roosteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen roosteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal roosteren bijzin, toekomende tijd
in zou roosteren bijzin, voorwaardelijk
in zouden roosteren bijzin, voorwaardelijk
in zoudt roosteren bijzin, voorwaardelijk
in zullen roosteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen roosteren bijzin, toekomende tijd
in zult roosteren bijzin, toekomende tijd
ingeroosterd verleden tijd, deelwoord
ingeroosterd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeroosterd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeroosterd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeroosterd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeroosterd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeroosterd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeroosterd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeroosterd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeroosterd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeroosterd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inrooster bijzin, tegenwoordige tijd
inroosterde bijzin, verleden tijd
inroosterden bijzin, verleden tijd
inroosterend onvoltooid, deelwoord
inroostert bijzin, tegenwoordige tijd
is ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rooster in gebiedende wijs
roosterde in verleden tijd
te hebben ingeroosterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inroosteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingeroosterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeroosterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingeroosterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeroosterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingeroosterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingeroosterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingeroosterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingeroosterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingeroosterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeroosterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeroosterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingeroosterd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeroosterd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inroosteren bijzin, toekomende tijd
zijn ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingeroosterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingeroosterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeroosterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeroosterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeroosterd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeroosterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeroosterd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inroosteren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inroosteren in zou(dt) roosteren bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeroosterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeroosterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeroosterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeroosterd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeroosterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeroosterd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inroosteren bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeroosterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeroosterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inroosteren bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeroosterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeroosterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeroosterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingeroosterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeroosterd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeroosterd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeroosterd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inroosteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inroosteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inroosteren bijzin, toekomende tijd
zult ingeroosterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstellende afleiding van in (voorzetsel) en rooster (zelfstandig naamwoord) met het achtervoegsel -en dat de onbepaalde wijs van een werkwoord vormt (werkwoord), of samenstelling van in bw en roosteren ww "een verdeling van personen en taken over tijdvakken en plaatsen maken"

Woordfamilie van inroosteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingeroosterd voltooid deelwoord inroosteren
ingeroosterde woordvorm inroosteren
inrooster subordinate-clause, tegenwoordige tijd inroosteren
inroosterde subordinate-clause, verleden tijd inroosteren
inroosterden subordinate-clause, verleden tijd inroosteren
inroostere with-subordinate-clause inroosteren
inroosterend onvoltooid deelwoord inroosteren
inroosterende woordvorm inroosteren
inroostert subordinate-clause, tegenwoordige tijd inroosteren
rooster in gebiedende wijs inroosteren
roosterde in verleden tijd inroosteren
roosterden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inroosteren
roostere in woordvorm inroosteren
roosteren in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inroosteren
roostert in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inroosteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inroosteren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inroosteren

Hoe spreek ik inroosteren uit?
Zo spreek je inroosteren uit: /ˈɪnrostərən/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van inroosteren?
Inroosteren is een werkwoord. De betekenis is: in het rooster zetten.
Hoe vervoeg ik inroosteren?
Zo vervoeg je inroosteren zo: het voltooid deelwoord is ingeroosterd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inroosteren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. R 2
  4. O 1
  5. O 1
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inroosteren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. R 2
  4. O 1
  5. O 1
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 16 zonder bonus
  13. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (I) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inroosteren in het kort

inroosteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van inroosteren staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort inroosteren bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

inroosteren: in het rooster zetten
Deel inroosteren — standaardnederlands.nl