inrijgen
werkwoordBetekenis
- in iets anders rijgen
- met een rijgdraad nauwer maken
Vervoeging van inrijgen
inrijgenhele werkwoord — reeg inverleden tijd enkelvoud — regen inverleden tijd meervoud — ingeregenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rijg in | reeg in |
| jij | rijgt in | reeg in |
| hij, zij, het | rijgt in | reeg in |
| wij | rijgen in | regen in |
| jullie | rijgen in | regen in |
| zij | rijgen in | regen in |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingeregen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingeregen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingeregen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingeregen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingeregen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingeregen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingeregen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingeregen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingeregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingeregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingeregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingeregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingeregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingeregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingeregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeregen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te rijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen rijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal rijgen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou rijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden rijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt rijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen rijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen rijgen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult rijgen | bijzin, toekomende tijd |
| ingeregen | verleden tijd, deelwoord |
| ingeregen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeregen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeregen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeregen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeregen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeregen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeregen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeregen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeregen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeregen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inreeg | bijzin, verleden tijd |
| inregen | bijzin, verleden tijd |
| inrijg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inrijgend | onvoltooid, deelwoord |
| inrijgt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| is ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reeg in | verleden tijd |
| rijg in | gebiedende wijs |
| te hebben ingeregen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inrijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingeregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingeregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingeregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingeregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingeregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingeregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingeregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingeregen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeregen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inrijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingeregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingeregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inrijgen in zou(dt) rijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingeregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingeregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeregen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeregen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeregen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inrijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inrijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingeregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van in en rijgen
Woordfamilie van inrijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingeregen | voltooid deelwoord | inrijgen |
| inreeg | subordinate-clause, verleden tijd | inrijgen |
| inregen | subordinate-clause, verleden tijd | inrijgen |
| inrijg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inrijgen |
| inrijge | with-subordinate-clause | inrijgen |
| inrijgend | onvoltooid deelwoord | inrijgen |
| inrijgende | woordvorm | inrijgen |
| inrijgt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inrijgen |
| reeg in | verleden tijd | inrijgen |
| regen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inrijgen |
| rijg in | gebiedende wijs | inrijgen |
| rijge in | woordvorm | inrijgen |
| rijgen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inrijgen |
| rijgt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inrijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inrijgen zijn vastgelegd.