Naar de inhoud

inrijden

rijdend ingaan, binnenkomen

inrijden

werkwoord

Betekenis

  1. rijdend ingaan, binnenkomen
  2. voorzichtig rijden met iets en het zo geschikt maken voor gebruik
  3. ~ op: expres aanrijden

Vervoeging van inrijden

inrijdenhele werkwoord — reed inverleden tijd enkelvoud — reden inverleden tijd meervoud — ingeredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rij in reed in
jij rijdt in reed in
hij, zij, het rijdt in reed in
wij rijden in reden in
jullie rijden in reden in
zij rijden in reden in
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingereden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingereden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingereden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingereden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingereden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingereden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te rijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal rijden bijzin, toekomende tijd
in zou rijden bijzin, voorwaardelijk
in zouden rijden bijzin, voorwaardelijk
in zoudt rijden bijzin, voorwaardelijk
in zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen rijden bijzin, toekomende tijd
in zult rijden bijzin, toekomende tijd
ingereden verleden tijd, deelwoord
ingereden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingereden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingereden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingereden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingereden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingereden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingereden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingereden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingereden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingereden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inreden bijzin, verleden tijd
inreed bijzin, verleden tijd
inrij bijzin, tegenwoordige tijd
inrijd bijzin, tegenwoordige tijd
inrijdend onvoltooid, deelwoord
inrijdt bijzin, tegenwoordige tijd
is ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reed in verleden tijd
rij in gebiedende wijs
rijd in gebiedende wijs
te hebben ingereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inrijden bijzin, toekomende tijd
zijn ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inrijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inrijden in zou(dt) rijden bijzin, voorwaardelijk
zouden ingereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inrijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inrijden bijzin, voorwaardelijk
zullen ingereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van in en rijden

Woordfamilie van inrijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingereden voltooid deelwoord inrijden
inreden subordinate-clause, verleden tijd inrijden
inreed subordinate-clause, verleden tijd inrijden
inrij subordinate-clause, tegenwoordige tijd inrijden
inrijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd inrijden
inrijde with-subordinate-clause inrijden
inrijdend onvoltooid deelwoord inrijden
inrijdende woordvorm inrijden
inrijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inrijden
reden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inrijden
reed in verleden tijd inrijden
rij in gebiedende wijs inrijden
rijd in gebiedende wijs inrijden
rijde in woordvorm inrijden
rijden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inrijden
rijdt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inrijden
inrijen meervoud inrij

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inrijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inrijden

Wat is de betekenis van inrijden?
Inrijden is een werkwoord. De betekenis is: rijdend ingaan, binnenkomen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik inrijden?
Zo vervoeg je inrijden zo: het voltooid deelwoord is ingereden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inrijden is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. R 2
  4. I 1
  5. J 4
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inrijden levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. R 2
  4. I 2
  5. J 4
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inrijden in het kort

inrijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van inrijden staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort inrijden bij een woordfamilie van 17 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

inrijden: rijdend ingaan, binnenkomen
Deel inrijden — standaardnederlands.nl