Naar de inhoud

inrekenen

in hechtenis nemen

inrekenen

werkwoord

Betekenis

  1. in hechtenis nemen

Vervoeging van inrekenen

inrekenenhele werkwoord — rekende inverleden tijd enkelvoud — rekenden inverleden tijd meervoud — ingerekendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik reken in rekende in
jij rekent in rekende in
hij, zij, het rekent in rekende in
wij rekenen in rekenden in
jullie rekenen in rekenden in
zij rekenen in rekenden in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingerekend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingerekend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingerekend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingerekend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingerekend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingerekend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingerekend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingerekend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingerekend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te rekenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen rekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal rekenen bijzin, toekomende tijd
in zou rekenen bijzin, voorwaardelijk
in zouden rekenen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt rekenen bijzin, voorwaardelijk
in zullen rekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen rekenen bijzin, toekomende tijd
in zult rekenen bijzin, toekomende tijd
ingerekend verleden tijd, deelwoord
ingerekend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingerekend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingerekend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingerekend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingerekend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingerekend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingerekend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingerekend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingerekend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingerekend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inreken bijzin, tegenwoordige tijd
inrekende bijzin, verleden tijd
inrekenden bijzin, verleden tijd
inrekenend onvoltooid, deelwoord
inrekent bijzin, tegenwoordige tijd
is ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reken in gebiedende wijs
rekende in verleden tijd
te hebben ingerekend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inrekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingerekend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingerekend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingerekend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingerekend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inrekenen bijzin, toekomende tijd
zijn ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inrekenen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inrekenen in zou(dt) rekenen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inrekenen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inrekenen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingerekend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingerekend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingerekend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingerekend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingerekend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingerekend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inrekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inrekenen bijzin, toekomende tijd
zult ingerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van in bw en rekenen (verouderd werkwoord) "met as bedekken"

Woordfamilie van inrekenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingerekend voltooid deelwoord inrekenen
ingerekende woordvorm inrekenen
inreken subordinate-clause, tegenwoordige tijd inrekenen
inrekende subordinate-clause, verleden tijd inrekenen
inrekenden subordinate-clause, verleden tijd inrekenen
inrekene with-subordinate-clause inrekenen
inrekenend onvoltooid deelwoord inrekenen
inrekenende woordvorm inrekenen
inrekent subordinate-clause, tegenwoordige tijd inrekenen
reken in gebiedende wijs inrekenen
rekende in verleden tijd inrekenen
rekenden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inrekenen
rekene in woordvorm inrekenen
rekenen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inrekenen
rekent in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inrekenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inrekenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inrekenen

Wat betekent inrekenen?
Inrekenen is een werkwoord. Het woord betekent: in hechtenis nemen.
Hoe vervoeg je inrekenen?
Je vervoegt inrekenen als volgt: het voltooid deelwoord is ingerekend. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inrekenen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inrekenen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 zonder bonus
  11. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inrekenen in het kort

inrekenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van inrekenen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inrekenen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inrekenen: in hechtenis nemen
Deel inrekenen — standaardnederlands.nl