inrichten
werkwoord ˈɪnrɪxtə(n)Betekenis
- een woning ~: een ruimte geschikt maken voor bewoning met vloerbedekking, behang, huisraad, enzovoort
- iets geschikt maken om te gebruiken
Hoe spreek je inrichten uit?
/ˈɪnrɪxtən/
Inrichten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| r | rood |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van inrichten
inrichtenhele werkwoord — richtte inverleden tijd enkelvoud — richtten inverleden tijd meervoud — ingerichtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | richt in | richtte in |
| jij | richt in | richtte in |
| hij, zij, het | richt in | richtte in |
| wij | richten in | richtten in |
| jullie | richten in | richtten in |
| zij | richten in | richtten in |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingericht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingericht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingericht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingericht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingericht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingericht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingericht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingericht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingericht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingericht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingericht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingericht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingericht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te richten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen richten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal richten | bijzin, toekomende tijd |
| in zou richten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden richten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt richten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen richten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen richten | bijzin, toekomende tijd |
| in zult richten | bijzin, toekomende tijd |
| ingericht | verleden tijd, deelwoord |
| ingericht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingericht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingericht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingericht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingericht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingericht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingericht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingericht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingericht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingericht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inricht | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inrichtend | onvoltooid, deelwoord |
| inrichtte | bijzin, verleden tijd |
| inrichtten | bijzin, verleden tijd |
| is ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| richt in | gebiedende wijs |
| richtte in | verleden tijd |
| te hebben ingericht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inrichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingericht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingericht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingericht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingericht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingericht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingericht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingericht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingericht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingericht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingericht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingericht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingericht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inrichten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingericht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inrichten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inrichten in zou(dt) richten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inrichten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingericht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingericht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inrichten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingericht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingericht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingericht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingericht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingericht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingericht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inrichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inrichten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inrichten | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingericht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ingericht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van in bw en richten ww
Woordfamilie van inrichten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inricht | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inrichten |
| inrichte | with-subordinate-clause | inrichten |
| inrichtend | onvoltooid deelwoord | inrichten |
| inrichtende | woordvorm | inrichten |
| inrichtte | subordinate-clause, verleden tijd | inrichten |
| inrichtten | subordinate-clause, verleden tijd | inrichten |
| richt in | gebiedende wijs | inrichten |
| richte in | woordvorm | inrichten |
| richten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inrichten |
| richtte in | verleden tijd | inrichten |
| richtten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inrichten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inrichten zijn vastgelegd.