inreisvisum
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een visum dat men moet hebben om een land in te mogen reizen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| inreisvisa | meervoud |
| inreisvisums | meervoud |
Herkomst
Samenstelling van de werkwoordstam van inreizen en visum
Woordfamilie van inreisvisum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inreisvisa | meervoud | inreisvisum |
| inreisvisums | meervoud | inreisvisum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inreisvisum zijn vastgelegd.