initiëren
werkwoordBetekenis
- inwijden, invoeren
- het initiatief nemen (tot iets), (iets) in gang zetten
Vervoeging van initiëren
initiërenhele werkwoord — initieerdeverleden tijd enkelvoud — initieerdenverleden tijd meervoud — geïnitieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | initieer | initieerde |
| jij | initieert | initieerde |
| hij, zij, het | initieert | initieerde |
| wij | initiëren | initieerden |
| jullie | initiëren | initieerden |
| zij | initiëren | initieerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïnitieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnitieerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnitieerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnitieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnitieerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnitieerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnitieerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnitieerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnitieerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnitieerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnitieerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnitieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnitieerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnitieerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnitieerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnitieerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnitieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnitieerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnitieerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnitieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| initieer | gebiedende wijs |
| initieerde | verleden tijd |
| initiëre | aanvoegende wijs |
| initiërend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïnitieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te initiëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen initiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïnitieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïnitieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïnitieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnitieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnitieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïnitieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnitieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïnitieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïnitieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnitieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnitieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnitieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnitieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnitieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnitieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnitieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnitieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnitieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnitieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnitieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnitieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnitieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnitieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnitieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnitieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnitieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnitieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnitieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen initiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnitieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnitieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnitieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult initiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘inleiden, invoeren’ voor het eerst aangetroffen in 1777
Woordfamilie van initiëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnitieerd | voltooid deelwoord | initiëren |
| geïnitieerde | woordvorm | initiëren |
| initieer | gebiedende wijs | initiëren |
| initieerde | verleden tijd | initiëren |
| initieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | initiëren |
| initieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | initiëren |
| initiëre | aanvoegende wijs | initiëren |
| initiërend | onvoltooid deelwoord | initiëren |
| initiërende | woordvorm | initiëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van initiëren zijn vastgelegd.