inhaleren
werkwoordBetekenis
- een stof door diep in te ademen tot zich nemen
Vervoeging van inhaleren
inhalerenhele werkwoord — inhaleerdeverleden tijd enkelvoud — inhaleerdenverleden tijd meervoud — geïnhaleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | inhaleer | inhaleerde |
| jij | inhaleert | inhaleerde |
| hij, zij, het | inhaleert | inhaleerde |
| wij | inhaleren | inhaleerden |
| jullie | inhaleren | inhaleerden |
| zij | inhaleren | inhaleerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geïnhaleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnhaleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnhaleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnhaleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnhaleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnhaleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnhaleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnhaleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnhaleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnhaleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnhaleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnhaleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnhaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnhaleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnhaleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnhaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnhaleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnhaleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnhaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnhaleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnhaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnhaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnhaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnhaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnhaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnhaleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| inhaleer | gebiedende wijs |
| inhaleerde | verleden tijd |
| inhalere | aanvoegende wijs |
| inhalerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geïnhaleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te inhaleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inhaleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geïnhaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnhaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnhaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geïnhaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnhaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnhaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnhaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnhaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnhaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnhaleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnhaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnhaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnhaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inhaleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnhaleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inhaleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘diep inademen (van rook)’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van inhaleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnhaleerd | voltooid deelwoord | inhaleren |
| geïnhaleerde | woordvorm | inhaleren |
| inhaleer | gebiedende wijs | inhaleren |
| inhaleerde | verleden tijd | inhaleren |
| inhaleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inhaleren |
| inhaleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inhaleren |
| inhalere | aanvoegende wijs | inhaleren |
| inhalerend | onvoltooid deelwoord | inhaleren |
| inhalerende | woordvorm | inhaleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inhaleren zijn vastgelegd.