informeren
werkwoordBetekenis
- inlichten
- vragen naar inlichting
- zich ~ zichzelf van informatie voorzien
werkwoord
- ~ over: inlichten transitive
- ~ naar: vragen naar inlichting unergative
Vervoeging van informeren
informerenhele werkwoord — informeerdeverleden tijd enkelvoud — informeerdenverleden tijd meervoud — geïnformeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | informeer | informeerde |
| jij | informeert | informeerde |
| hij, zij, het | informeert | informeerde |
| wij | informeren | informeerden |
| jullie | informeren | informeerden |
| zij | informeren | informeerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïnformeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnformeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnformeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnformeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnformeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnformeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnformeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnformeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnformeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnformeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnformeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnformeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnformeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnformeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnformeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnformeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnformeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnformeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnformeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnformeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| informeer | gebiedende wijs |
| informeer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| informeer u/je , informeert je | gebiedende wijs |
| informeerde | verleden tijd |
| informeerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| informeerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| informeerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| informeerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| informeerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| informeerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| informeerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| informeerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| informeerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| informeerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| informeert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| informeert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| informeert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| informeert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| informeert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| informeert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| informere | aanvoegende wijs |
| informere zich | aanvoegende wijs |
| informeren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| informeren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| informeren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| informerend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïnformeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te informeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen informeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïnformeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïnformeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïnformeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnformeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnformeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïnformeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnformeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïnformeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnformeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal informeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal informeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal informeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me informeren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich informeren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je informeren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geïnformeerd hebben | verleden tijd |
| zich informerend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïnformeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïnformeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnformeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnformeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïnformeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnformeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïnformeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnformeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnformeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnformeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou informeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou informeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou informeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnformeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnformeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnformeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnformeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïnformeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïnformeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnformeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnformeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnformeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden informeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden informeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden informeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnformeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnformeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnformeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt informeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnformeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnformeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnformeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnformeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘inlichten’ voor het eerst aangetroffen in 1460
Woordfamilie van informeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnformeerd | voltooid deelwoord | informeren |
| geïnformeerde | woordvorm | informeren |
| informeer | gebiedende wijs | informeren |
| informeerde | verleden tijd | informeren |
| informeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | informeren |
| informeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | informeren |
| informere | aanvoegende wijs | informeren |
| informerend | onvoltooid deelwoord | informeren |
| informerende | woordvorm | informeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van informeren zijn vastgelegd.